woensdag 31 december 2014


Vuurwerk

Nog even, dan gaat 2014 naadloos over in 2015. Althans dat wensen en hopen we. Helemaal zeker ben je daar vandaag de dag niet meer van. Neem nu gisterenmiddag. Het zal zo’n uur of vier – half vijf geweest zijn. Iemand die bij ons thuis aanwezig was, had zijn auto vóór de deur geplaatst. Niet op het wegdek, maar keurig daarnaast, in de strook gras die daarvoor bestemd is, tussen de bomen.

Terwijl we aan het werk waren, samen een nieuw en bijzonder project aan het voorbespreken waren, ging er een behoorlijk stuk vuurwerk af. Ik dacht nog: Dat komt van dichtbij. We luisterden even, er gebeurde niets en gingen weer aan de slag.

Bleek later dat onverlaten een vuurwerkbom tegen de Volvo van mijn bezoeker had aangekegeld, met alle gevolgen van dien. Problemen met de elektronica in het autoslot en een flinke deuk. Knap beroerd, want zie dat maar eens vergoed te krijgen zonder gevolgen voor je no-claim. Los van de beslommeringen en rompslomp die het met zich meebrengt.

Heel jammer dat men steeds minder oog heeft voor de eigendommen van anderen. Er is een tijd geweest dat je voorkomend was – en dat werd er ingepompt tijdens de opvoeding. Je leerde het verschil tussen mijn en dijn, moest sparen alvorens iets kostbaars te bezitten en dus zorgde je er goed voor. Dat deed je ook voor de spullen van iemand anders. Die had er immers ook behoorlijk lang hard voor gewerkt en geld voor apart moeten leggen. En nu?

Erg jammer om het jaar 2014 zo te moeten afsluiten met die negatieve boodschap. Eerlijk gezegd weet ik het nu zeker. Anno 2015 kunnen jonge en zelfs de wat oudere vuurwerkstokers de weelde van dit product niet meer aan. Ze kunnen er niet meer naar behoren mee omgaan en richten schade aan. Zij veroorzaken letsel bij zichzelf of anderen, of maken materiële zaken van zichzelf (wat ik eigenlijk niet erg vind) of van buitenstaanders kapot.

Het wordt tijd dat we op Oudejaarsavond per dorp of stad kunnen genieten van een georganiseerd vuurwerk, dat is opgesteld door professionals en dat ook wordt afgestoken door beroepskrachten. Het heeft nog een groot pluspunt: het verbindt. Want niets is zo leuk als met elkaar in dikke winterjas naar buitengaan, op straat een praatje maken met je dorpsgenoten, samen genieten van een spetterend vuurwerk om zo samen een nieuw jaar in te gaan, bedolven onder de goede wensen. En dan daarna huiswaarts keren. Of lekker nog even een glaasje drinken bij buurtgenoten of vrienden.
 
Van harte wens ik iedereen een mooi nieuw jaar toe!
 
 

donderdag 11 december 2014


Herinnering aan mijn Wonderhond                                                                                      

Mensen die géén hond hebben, zijn vaak verbaasd, dat liefhebbers van deze trouwe viervoeters alles over hebben voor hun beestje, zelfs vrije tijd. Voor geen goud zouden ze hem willen missen. Dat gold zeker voor ons. Sterker nog. Labrador Molly kleurde onze dagen.

Alleen al het gegeven, dat je met een dier werkelijk kunt communiceren, vind ik een verrijking. Bij sommige mensen kan het je gebeuren, dat je volkomen langs elkaar heen praat, hoe goed je ook iets probeert uit te leggen of hoe intensief je je ook hebt verdiept in de denkwijze van deze persoon. Je probeert het gezellig te houden, gaat nergens op in, laat het de kant opgaan van die ander, die je bij het afscheid naroept dat het zó leuk was, dat zij of hij hoopt op een snel weerzien. Met wallen onder je ogen aanvaard je de terugreis. Pffffffffffffff.

Maar dan Molly. Een huisdier. Hangoren, een kwispelstaart. Schrandere ogen. Niets bijzonders aan. Maar als zij me aankeek, smolt ik en wist ik precies wat te doen. Soms bedoelde ze, dat haar water op was. Dat er onder de bank een macadamia lag, die ik al de dag ervoor had laten vallen en dat het nu onderhand tijd werd, dat zíj hem mocht opeten. Dat haar bal onder de kast gerold was en dat zij er graag mee wilde spelen. Nee, echt, ik interpreteerde haar blik niet op een wijze die mij uitkwam. Ze vertelde het gewoon. En niets was me teveel. Het vertederde, maakte vrolijk, gaf massa’s energie.

Een bijkomstigheid is, dat je met je hond door weer en wind uit moet, zodat zij buiten haar behoeften kan doen. Doorgaans vinden mensen dit vreselijk, vooral als het hondenweer is of guur. Ze had ook nog eens gitzwart haar, dat uitviel en dat vrijwel dagelijks opgezogen moest worden. Met andere woorden: Molly zorgde voor extra werk. Molly dirigeerde tevens mijn dagritme, want doordat ze er met regelmaat uitmoest voor die plas en zo, diende ik ervoor te zorgen bijtijds thuis te zijn, of iemand te organiseren die mij verving.

Volmondig kan ik zeggen, dat deze dingen nooit opwogen tegen het plezier, dat wij hadden met Black Molly. Van hondenweer – what’s in a name? – gaan je wangen zo lekker gloeien. Wonen aan de kust maakt je huis zanderig, dus stofzuigen moet toch. Meestal vergezelde Molly ons op uitstapjes buiten de grenzen van onze kampong. Overal was ze graag gezien. Ze ging slapen en liet niets van zich horen.

Zo gingen we eens naar Zwitserland. Ze lag achter in de auto in haar mand, terwijl wij bliezen over de autobaan. Je hoorde of zag haar niet. Het was dat wij na een paar uur zeiden, dat Molly haar poten even moest strekken (terwijl we natuurlijk eigenlijk bedoelden, dat we zelf behoefte hadden aan een sanitaire stop). Zouden we onverhoeds doorrijden, dan maakte zij daar geen enkel bezwaar tegen. Ze sliep, draaide af en toe een rondje en snurkte door met haar kop naar de andere kant.

Niemand hoefde te proberen een vinger naar onze auto uit te steken of naar binnen te gluren. Haar zware blaf schrok iedereen af. Niet dat we haar alleen achterlieten in een overvolle auto. Wij gingen om de beurt naar de wc en zij hield alles in de gaten, hetzij vanuit haar positie in de mand, hetzij tijdens een loopje over het parkeerterrein. Ondertussen vuurde ze zo haar vragen op me af: “Waar gaat de baas heen? Komt hij terug? Wat ga jij nu doen? Achter het stuur zitten om er vandoor te gaan? Maar hij is er nog niet, even wachten dus! Zie ik hem daar? Ach, jammer, het was iemand anders met een bruin jack. Dáár! Daar issie! Zie je het ook? Gelukkig, het roedel is weer compleet!” Mevrouw vlijde zich neer en we konden verder.

Hartverwarmend was de aankomst in een hotel. Zodra mand en bagage neergezet waren, was het tijd voor een lange wandeling. Voor ons minstens zo noodzakelijk, na dat stilzitten in de auto. Haar maaltijd volgde, een prachtig ritueel, waarvan ze met hart en ziel genoot. En daarna? Ze kende haar plaats, was sociaal, ging braaf in haar mand liggen en keek ons aan.

“Zo. Nu zijn jullie aan de beurt,” zei die blik. “Ga maar lekker uit eten. Ik pas op dit tijdelijke huisje. Tot straks.” Was het geen wonderhond? Vergeten doen we haar niet, al vult adoptiehondje May tegenwoordig onze dagen. Ontwapenend deed ze haar intrede. Vrijwel direct veroverde ze ons hart. Jong, energiek. Pittig op weg in de pootsporen van haar voorganger te treden. Ons zwarte goud. Dáár zijn we gelukkig nog niet van af. Met een hond loopt ons huishouden als een geoliede machine.

 
Met Molly in de duinen
 
 

Volksverlakkerij                                                                 

Liefdevol werd hij “Vadertje Drees” genoemd, de politicus die bezield leiding gaf, een pragmatisch ingestelde sociaaldemocraat die na de Tweede Wereldoorlog de Noodwet Ouderdomsvoorzieningen initieerde op basis van een zeker rechtvaardigheidsgevoel. Later werd dat de Algemene Ouderdomswet, waaraan elke belastingbetaler een bijdrage levert. Sta er eens bij stil, dat onze levensomstandigheden nu – ondanks de huidige economische crisis – vele malen rooskleuriger zijn, dan tijdens de wederopbouw van ons land. En dat niet alleen.

De mensen zijn anno 2014 véél mondiger, maar dat impliceert niet, dat ze ook kundiger zijn en competenter. Het woord “Zesjescultuur” is niet vanzelf ontstaan. Maar pragmatisch is de Nederlander wel gebleven. Wat dat betreft is één van wijlen Dhr. Drees’ lijfspreuken, “Niet alles kan, en zeker niet alles tegelijk” ons op het lijf geschreven. Nuchterheid steekt in ons alcohol- en andere genotmiddelen lievende landje precies op het juiste moment gelukkig toch nog wel eens de kop op. We laten ons niet alles meer door de strot drukken. Het volk laat zich niet meer verlakken.

Neem nu de verbouwingsplannen van onze mooie dorpen Bergen en al eerder Schoorl. Wanstaltig. Projectontwikkelaars willen maar niet geloven, dat het echt gedaan is met die grootheidswaanzin. Dat mensen liever gaan voor noeste handarbeid, klein-maar-fijn en zelfgemaakte oerproducten. Zo hebben ze 2x lol: van het produceren en van het smikkelen. “Focus op kosten, dan gaat de kwaliteit omlaag. Focus op kwaliteit, dan gaan de kosten omlaag”, las ik ergens. De voedselindustrie komst steeds vaker in het geding, en terecht. Heel goed, dat er eindelijk openlijk kritisch gekeken wordt naar de inhoud van dat gelikte pakje of potje “gezondheid” dat wij natuurlijk in grote hoeveelheden moeten inslaan, waardoor we vervolgens dikker en ongezonder worden. Maar dát zal de producent een worst zijn!
Het gevolg? We willen puur. Weten wat we eten en weten hoe we wonen. En dus moeten gemeenten dáár op inhaken, i.p.v. een Supermarkt XL te proppen in een lieflijk dorpje, waar al enige supermarkten en speciaalzaken zíjn die ruimschoots voorzien in de specifieker wordende behoeften en de zó gewenste duurzaamheid. Waar ooit het bijna sprookjesachtige winkeltje van De Wijs & Broers voorzag in pure, in papier verpakte kruideniersproducten, vers van de schep en met een zakje zuurtjes voor de kinderen toe,  zie je de laatste jaren ondernemers hun nek uitsteken die net als deze broers wéten wat ze de eter bieden. Dáár is vraag naar.
Dorpspolitici zouden met compassie en een oeroud rechtvaardigheidsgevoel moeten luisteren en kijken naar omgeving en bewoners. Uiteindelijk levert dat het meeste op: charme, tevredenheid, toeristen die graag blijven terugkomen en geld. Alleen zó is het goed jong zijn en oud worden in Bergen. Niet alles kan. Dat heet Geluk.

 
 

Euvele Moed                                                                                      

Als ik van één woord vind dat het verkeerd geïnterpreteerd wordt, dan is het “lef”. Een loos modewoord, dat te pas en te onpas gebruikt wordt. Liefst schreeuwerig, waardoor het sterker ontkracht wordt. Van Dale leert dat het weliswaar “moed” en “durf” betekent, maar geeft vervolgens aan dat er iets branieachtigs in schuilt. “Op lef” wil zeggen: ”op goed geluk”. Nou, dan weet je het wel.

Een tweede betekenis is: “laf, slap”. Kijk, dat bedoel ik! “Lef” mist een belangrijke dimensie, terwijl het tegenwoordig gebruikt wordt in de betekenis van “ultramoedig”. Maar dat woord heeft, wat “lef” dus mist: onverschrokkenheid bij gevaren en moeilijkheden, betoond bij direct lijfsgevaar – veelal om in het belang van ánderen actie te ondernemen. “Lef” suggereert heldhaftigheid, maar daarmee doe je de werkelijk moedigen onder ons tekort.

De grootste aanfluiting vind ik de goeroe- of coachuitspraak dat “lef” het meervoud zou zijn van “leven”. Toe nou! Alleen al taalkundig ga je mank. Leven is in dit geval een werkwoord, “lef” een zelfstandig naamwoord dat niet eens een meervoudsvorm kent. Los daarvan vraag ik me (gezien de bovengenoemde betekenis) af, of alles wat leeft daadwerkelijk leeft met zo’n dosis branieachtige nepdurf. Nonsens! Het planten- en dierenrijk is daar te eerlijk voor.

De meeste mensen zijn zich aardig bewust van de consequenties van hun veelal weloverwogen handelen in zaken die enige moed behoeven. Met voorbehoud is niets mis. Het sterkt het zelfvertrouwen en mocht het alsnog fout gaan, dan heb je jezelf niets te verwijten. Zo werkt het wellicht niet voor de lefgozers onder ons. En daar heb ik dan ook meteen een bepaald – nadrukkelijk de negatieve aandachttrekkend – beeld bij.

Vandaar mijn aversie tegen “lef” dat eigenlijk zoiets is als spontaan springen in het diepe en zien waar het schip strandt in de wetenschap dat er altijd wel ergens een boei ligt om te grijpen, een vangnet dat je verder helpt. En daarmee zadel je in feite anderen op met jouw probleem. Dús verdient het géén op-de-borstklopperij. Maar ja. Als je niet anders gewend bent dan de grootste complimenten voor de eenvoudigste dingen, dan vraag je nu eenmaal op een zeurderige manier om aandacht als een echt lefgozertje.

Gelukkig word je daar niet van. Dat ben je pas, wanneer je het leven in al zijn facetten omarmt. Met mee- en tegenwind, regen en zonneschijn. Dan besef je iets simpels: Hoe dieper de dalen zijn die je op eigen kracht hebt overwonnen, des te hoger zijn de pieken. Verlies je wat veel vreugde gaf, dan ben je navenant verdrietig. Heb je dat ooit ervaren, dan heb je niet de euvele moed het modewoord “lef” te gebruiken, zoals heden ten dage ten onrechte gebeurt. Dan spring je in het diepe en weet je, dat het schip je hoe dan ook altijd ergens heenbrengt.
 

dinsdag 21 oktober 2014


Aan de deur wordt niet gekocht                                                   

Dit zinnetje speelt ruim een week door mijn hoofd. Het kwam erin op de dag dat ik in huis en tuin aan het klussen was. Ron, de beste timmerman uit Schoorl en wijde omgeving, had in onze kamer een houten wand geplaatst. Kwaliteitsgrenen. Zware planken, voorgedroogd en gegrond. Ondertussen boende ik mijn teak tuinmeubelen met groene zeep – een (z)ware fitnesstraining, mag ik wel zeggen, waar werkelijk álles van opknapte.

Zodra Ron weg was, reed ik rap voor kundig verfadvies naar de winkel van de dames Louter, een team dat zijn mannetje staat in de wereld van hoogwaardige lakken. Altijd gezellig daar. En druk. Maar tijd voor een grapje en vooral deskundigheid blijft er.  

Zo stond ik weldra op mijn huishoudtrap de wand te schuren en een sneeuwwit stof te happen, toen de bel ging. Zes uur. Wie kon dat zijn? Uit mijn ritme gehaald, opende ik toch de voordeur die bij ons standaard op slot zit, mét kettinkje en al. Vanwege de hond loop je nu eenmaal makkelijker achterom.

Op mijn stoep stond een oudere man. “Nou, u hoeft niet bang te zijn dat u gestolen wordt,” opende hij het gesprek. Het klonk enigszins cynisch. Alles had ik verwacht, niet een zin die in de regel gebezigd wordt wanneer je geconfronteerd wordt met iemand die er op het eerste gezicht niet bepaald aantrekkelijk uitziet. Hoe tegenstrijdig aan de opmerking van kunstenaar Moret, toen hij onlangs galant de deur voor me openhield bij Fabels: “Mooie vrouwen gaan bij mij altijd vóór!” Zag ik er zó afgemat uit? Kon een mens van één dag zwaar poets- en schuurwerk zo’n andere indruk geven?

De aanbeller wilde praten over een lidmaatschap van een uitvaartvereniging. Ook dat nog. Als we deze zomer íets geleerd hebben, is het dat de dood te onverwacht toeslaat. Maar dat ik mij met twee benen in het leven, niet bang om gestolen te worden, toch moest verdiepen in de voordelen van uitgerekend zo’n lidmaatschap – het is per slot geen zangvereniging – zag ik niet zitten. Al bleek zijn openingszin terug te slaan op het deurslot. “Wij kunnen veel voor u betekenen,” zei hij resoluut. Wát hij voor mij kon betekenen, vermeldde hij niet, alleen dat “het” me allemaal veel minder zou kosten en beter geregeld kon worden. Hoeveel minder en hoeveel te beter verklapte hij niet, pas in een gesprek. Flauw. Ik wilde verven, nu het nog zonnig was en licht: “Ik bel u wel. Misschien.”

Op weg naar de kamer blikte ik in de spiegel. Tja. Mijn gezicht zag wit van het stof. Maar de dood keek ik hopelijk nog niet in de ogen. Hondje May kwispelde uitbundig, toen ik bulderend van de lach om die openingszin de huishoudtrap beklom. Dat lidmaatschap kon me voorlopig gestolen worden: “Aan de deur wordt niet gekocht!” Een uitspraak van mijn wijze moeder die mij plotseling zomaar van bovenaf werd ingegeven.      
 

De pot op                                                                                                      

Word je in het wild plassend betrapt, dan krijg je een bekeuring aan de openstaande broek. Donkere stegen en hoekjes in steden zijn populaire plekken om bij hoge nood de blaas te legen. Bij daglicht slaat de ammoniaklucht je de keel dicht en de scherpe urinezuren beschadigen historische gebouwen. Excusez les mots: deze keer ga ik u een poepie laten ruiken en heb ik schijt aan mijn fatsoensnormen. Het moet gezegd: ook wildpoepen is populair. Niet door het uitgaanspubliek, maar door hardlopers in het bos. Onlangs heb ik een dame in een kek pakje op heterdaad betrapt. Maar vermoedelijk gaan mountainbikers eveneens wel eens uit de broek. Staat er zomaar ergens zo’n dure ATB tegen een den, dan riekt dat er wel naar...

Misschien zegt u: “Nou en? De natuur breekt zo’n onschuldig poepje wel af!” Mee eens. Maar dat duurt even. Voor goed fatsoen kan ik ‘s maandags Fikkie dus niet laten loslopen. Die struint van drol naar drol en ondertussen kan ik mijn hoop op een ontspannen wandeling wel laten varen. Bovendien liggen er heel wat zakdoekjes nog lang stinkend te bruinen op het mos. Nu komt dan ook mijn punt: uw soms slechts halfverteerde plofkip met paprika en spek is voor dieren een delicatesse. Zij vallen er massaal op aan en vreten soms voor het gemak de tissue erbij op. Net als babyluiers, trouwens, die liggen er ook. Met plastic en al. Als hondenbezitter ben ik daar niet gelukkig mee. Zakdoekjes en luiers gaan in de maag van honden, vogels of andere dieren een eigen leven leiden en dienen op een kwade dag operatief verwijderd te worden. Anders gaat dat beestje dood. Over de odeur die uit het bekje komt, zal ik zwijgen. Het is afzien, maar vooruit. Onder appèl houden, zegt u?  Honden hebben nu eenmaal van nature altijd een voorkeur voor smerige smaakjes en luchtjes. Plus een overlevingsmechanisme. Eén keer stront aan de knikker en meteen zet Pavlov voor de rest van het hondenleven de baas een hak. U kunt met zóveel horeca in onze gemeente gemakkelijker uw darmen onder de duim houden, dan ik Fikkie.

Hondenbezitters zijn veelal het pispaaltje vanwege de hondenpoep. Laat echter uw kind in het bos nóóit van het rechte pad afgaan. Hij trapt geheid in een mensenhoop en de hond krijgt de schuld. Terwijl dat arme dier bruintje keurig stalt op plekken waar geen mens komt: in het struweel, of onder de prikkende duindoorn of duinroos.

Het komt thans in zo’n grote mate voor, dat ik vind, dat er poepzakjes verspreid moeten worden onder sporters. En dan niet dat zakje met inhoud ergens in de bosjes dumpen! Meedragen tot de eerstvolgende vuilnisbak, graag. De hondenbelasting kan afgeschaft worden, want echt, mensen en paarden zijn in onze gemeente de meestervervuilers. Niet mee eens? Mooi. Dan gewoon, zoals onze beschaving voorschrijft, bij aandrang de pot op!

zondag 12 oktober 2014


Natuur houdt van langzaam

Twaalf jaar geleden begon op dierendag het feestje dat “Molly” heette, of liever gezegd: “Prinses Molly”. Tja. Als je met iemand die “Vorst” heet getrouwd bent, dan ontkom je daar niet aan. Dan ben je zelf van de ene dag op de andere “Vorstin” en heb je een majesteitelijke hond. Prinses Molly, dus. Op 04-10-14 moest ik toch weer aan haar denken. Aan alles wat ze me leerde. Aan het feit dat ze zo goed voor mij zorgde, vooral in het grote, grote bos.  

Zelfs toen we het omvangrijke duingebied links moesten laten liggen, leerde ze me nog haar wijze lessen. Gewend als een Speedy Conzales door het leven te gaan, hield ze me een treffende spiegel voor die me dwong ons tempo te verlagen. En het beviel me erg goed. Het is veel beter met aandacht het leven wat langzamer te leven. Het levert me géén achterstand op in de dingen die moeten. Integendeel. Aandacht genereert concentratie en een keur aan inspiratiebronnen. Maar vooral ook dankbaarheid, rust en een groot geluksbesef.

Op een dag zag ik bij toeval een filmpje met de Bergense schaapherder Marijke Dirkson in de hoofdrol. En ik hoorde haar zeggen: “Natuur houdt van langzaam.”

Oooooooooooooooo, vandáár! Vandaar dat ik er zo snel van ben gaan houden om alles wat trager te doen. Stil te staan bij wat op je pad komt. Er open voor te staan – zo houdt stilstand je toch in beweging. Het laatste jaar van Molly werd een gouden jaar, alleen al omdat ik met regelmaat naast haar op het stoepje in de zon ging zitten, lekker op de grond, haar kop op mijn schoot.

De enige plek, waar haast mij nu nog altijd giftig tot spoed dwingt, is als ik in de rij bij de kassa sta. Vooral bij onze landelijke grootgrutter, die ik dan ook mijd, heb ik gemerkt (en hij wellicht ook). Want daar hijgen de klanten achter mij me in mijn nek en degene die incasseert, stuurt me met dwingende ogen en nog net niet zuchtend eveneens aan op te schieten. Vlug, vlug, vlugger graag. Het valt me opeens op. Een ware Aha-erlebnis, dus.

Wel vreemd dat men juist hier probeert biologische, ecologische en pure producten aan de man te brengen. Ik voel me als persoon hier totaal niet gewenst, hier telt alleen mijn geld. En mijn natuur houdt nu eenmaal zielsveel van langzaam. 
 
Maar ja. Toen kwam May. De Koningin van de snelle baan. Over Speedy Conzales gesproken...Niet bij te houden, die kleine. Wel een feest om te beleven. En mijn conditie is weer op peil. Het ene hoeft het andere niet te bijten, gelukkig.
 
 
 
 
 
 
 

Silly dream about Denzel

Facebookvrienden, Bloglezers en buitenlui: als jullie ooit een prijsvraagactie zien, waarbij de hoofdprijs een etentje in je eigen huis met Denzel Wahington is, meld het me, geef mij daar dan voor op of schrijf me met man en macht in. Met alleen al een kopje koffie ben ik ook dolblij. Desnoods. Wat een acteur! En wat een echt mooie, charmante man!

Maar als ik dan toch ook eens iets buitensporigs mag dromen, doe dan maar een tête à tête aan tafel. Mocht het uitlopen, dat etentje, of uit de hand lopen wat betreft de heerlijke wijnen die ik hem zou voorzetten, dan weet ik het wel.

Je zult maar net als Julia Roberts in The Pelican Brief in de gelegenheid zijn hem te vragen: “Would you mind sleeping om my sofa? I know it sounds silly, but…”
 

Huisoppasser gevraagd met kind noch kraai

Laatst las ik een advertentie, waarin gevraagd werd om een huisoppasser. De gegeven omstandigheden waren ideaal. Groot, oud huis, maar dan wel ingericht naar de hedendaagse maatstaven. Met inloopkasten, regendouches en lichten die aanfloepen zodra het schemert. Enorme tuin eromheen. Zwembad. Foto’s ter illustratie. Piet Boon, op zijn minst. Om te watertanden. Leuk stadje om te verkennen. Hoe lang blijft u weg? Doe mij maar drie maanden, maar vooruit, de gewenste twee weken vind ik ook wel oké.

Op dat moment ontwaarde ik de kleinere lettertjes: “Kinderen en eigen huisdier meenemen kan niet, wel is er internet aanwezig.” Drie keer moest ik het overlezen. Het moet toch niet gekker worden, dacht ik. Dat je kinderen en een eigen huisdier nou in één adem noemt, vooruit, dat kan ik begrijpen. Maar dan die – hoe zal ik het noemen? – pleister op de ontstane wonde?  Het doekje voor het bloeden? Want zo staat het er. Grof vertaald kan ik er alleen het volgende van maken: “Ik heb slecht en ik heb goed nieuws. Laat je kinderen en je huisdier maar lekker thuis, al is het voor u misschien wat vervelend. Niet getreurd. Daar heb ik iets op gevonden om dat gemis in één klap weg te werken: Er is internet aanwezig!”
Of zie ik dat verkeerd? Hallo, hond. Halló kind. Zijn jullie in beeld? Nee? Nou ja, doe dan de PC maar aan. Stoort zeker minder. En maakt in elk geval niks stuk. Zegt niets terug en houdt je toch lekker bezig. Dat is pas socializen.

Drie maanden zei ik? Doe maar niet. Ik zou als de dood zijn zelf een kopje koffie leeg te kieperen boven de bank. Met poep aan mijn schoen het hoogpolige tapijt van de haren van de sneeuwwitte klipgeit te betreden. En bovenal moet ik dan ook nog de reuring missen die mijn viervoeter veroorzaakt.

Liever blijf ik gewoon in mijn eigen stulp die niet past in het chique lifestyleblad, waarin uw woning waarschijnlijk juist niet misstaat. Is het niet prachtig dat we zo naast elkaar kunnen leven in dit land? Bij wijze van spreken, bedoel ik.
Thuis hoef ik niet bang te zijn voor plakkerige kinderhanden of vieze modderpoten. Daar kunnen overigens geen 100 wereldwijde webs en PC's tegenop. Al had ik dolgraag samen met mijn hond elke dag honderd baantjes getrokken in uw trendy zwembad…
 


 

 

maandag 6 oktober 2014


Vlijtig Liesje

Kennen jullie dat plantje? Ach, het zijn van die heerlijke zomerbloeiers. Vanaf dag één fleuren ze je tuin op. Met plezier zet ik er her en der wat van in potten. Af en toe dompelen en de rest doen ze zelf.

Een nostalgisch plantje vind ik het óók. Bij mijn oma stonden ze in haar kleine maar gezellige appartement in Heerlen. Dat heette in die tijd nog gewoon een flatje. Op elke vensterbank stonden wat planten. Vooral het koraalkleurige Vlijtig Liesje had blijkbaar haar voorkeur.

“Je kunt ze zo gemakkelijk stekken,” zei ze. Dat demonstreerde ze. Inderdaad ging ik aan het einde van de logeerpartij met een eigen plantje naar huis. Om daar de stektraditie voort te zetten. We kwamen om in de koraalrode Liesjes.

Wat is er vandaag de dag toch met deze bloeier aan de hand? Het lukt me niet meer ze te stekken. De bloemen zijn ook veel groter dan die van vroeger, maar dat kan inbeelding zijn. En vanochtend moest ik constateren dat de lila Lies in mijn tuin bij lange na niet vlijtig meer is. Slechts enkele knoppen in kleiner formaat dan eerst proberen zich te ontwikkelen, terwijl er nog hooguit vier bloemen staan te glanzen in de zon. De rest is uitgevallen. Het heldergroene blad wordt geel.

Herfst? Of is zij zo erg opgeblazen door kunstmest en vliegwerk dat het arme Liesje het aan het einde van de zomer voor gezien moet houden, in de luie stand moet gaan om nog luttele weken tenminste íéts van haar vroegere charme te laten zien om tenslotte het loodje te leggen?

Luie Liesje. Arme Liesje. Voor Pampus in de groene Kliko. Heel anders dan de kleine kwekerij die ik met oma opzette in haar Heerlense flatje. Aan haar heeft het niet gelegen. Zo houdt dan tenminste de herinnering nog bloeiend stand.

Giselle met oma op Aruba, lang voor de Vlijtige Liesjestijd.
 
 
 
 

’t Is weer voorbij, die mooie zomer.

De zomer van 2014 is er één die vroeg begon en die naar mijn idee nooit meer ophield. Althans tot vandaag de 6e oktober, zo’n beetje. Wat een genot dat het elke dag zo lekker warm was en dat de zon zich volop liet zien. Wanneer je tussen de werkzaamheden door je boterham buiten kunt opeten, heb je toch meteen een vakantiegevoel. Dan ruik je even de zee, voel je de warmte op je huid.

Een periode die heftig doorbroken werd door de dood van lieve Black Molly. Ja, we zagen het aankomen. En ja, al 20x had ik het telefoontje naar de dierenarts dat ik op een dag zou moeten plegen, gerepeteerd. Het verzoek of iemand naar ons toe kon komen om in de avonduren Molly te laten inslapen.

Maar als het dan zover is… Ik begon heel mans. Toen werd ik even in de wacht gezet. Ik keek  naar die lieve zwarte schat in haar mand die jaar-in, jaar-uit haar dagen gedeeld had met mij en ik met haar. Moeilijk. Te definitief. Maar het moest, want onze hond hoefde niet te lijden omdat wij geen afscheid konden nemen. Zo kon ik niet anders dan het tweede deel van het telefoongesprek snotterend en huilend volbrengen.

“Gelukkig kan dat, met dieren,” zei iemand me. “Met mensen kan het helaas het niet.” Ik schudde mijn hoofd meewarig. God zij dank kan dat niet, dacht ik. Want echt, neem van mij aan dat het enorm zwaar is te moeten beschikken over leven en dood van je dierbare hond en volgens mij is dat vrijwel onmogelijk wanneer het een dierbaar mens zou betreffen. Want tot en met het moment dat de dierenarts binnenwandelde, twijfelde ik: “Doen we dit niet te vroeg?” Maar het was goed en verliep rustig en sereen. Molly viel in slaap in haar mand, haar kop op mijn arm. De doorgaans wat pijnlijke narcosespuit heeft ze nauwelijks gevoeld.

Onverwacht snel nam de verdrietige periode die aanbrak een wending toen het hondje dat ik bij toeval op internet tegenkwam vanuit Gran Canaria in sneltreinvaart richting Holland kon komen. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik denk aan Molly. Maar kleine May kleurt ondertussen wel mijn tijd en fleurt mijn dagelijkse wandelingen weer op.


 
Zo luidde Molly de zomer in en blaast May hem uit. ’t Is weer voorbij… Welkom herfst. Maar gelukkig wordt het geloof ik binnenkort weer wat warmer. En zonnig.

zaterdag 16 augustus 2014


Kansen

Wat een zomer! Het houdt niet op. Heerlijk. Dat de tijd dan ongelooflijk snel kan gaan, dat weten we allemaal. Maar toch moet ik knipperen met mijn ogen wanneer ik me realiseer dat hondje May maandag vier weken mijn dagen vult en vooral opfleurt. Een grappige bijkomstigheid is, dat de dag erop Molly twaalf geworden zou zijn. Volgens mij kijkt die trouwe lobbes nog altijd mee over mijn schouder. Is het niet een klein wonder dat May me om bijna dezelfde dingen aan het lachen kan maken en kan vertederen? Ze heeft een pittige kop en kan brutaal uit haar ogen kijken, maar als het erop aankomt, smelt je. Ze rent vlinders achterna, ontwaart de kleinste mier, kijkt aandachtig televisie. Op straat is ze een hartenbreker. De ruwste bolsters toonden me de afgelopen weken hun blanke pit, zodra May kans zag die à la minute te laten ontkiemen. Het resultaat? Zachte blikken, een warme glimlach, toegang tot het liefdevolle, warme hart dat even openging en opbloeide. Op zo’n moment denk ik dan toch: Stel je voor dat dit hondje, nadat ze ergens op Gran Canaria gedumpt was door onverlaten, was doodgehongerd! Elk wezen heeft een eigen rol te vervullen. Háár taak op deze aarde heeft ze al menigmaal aan mij geopenbaard. Als een tijger zal ik door dik en dun voor haar gaan.

Onvoorstelbaar wat zij allemaal heeft bijgeleerd. Ze vindt het van zichzelf erg knap. En zo is het. Op haar energie kan ik ronduit jaloers zijn. Mooi te zien is, hoe zij zich opeens middenin een dolle bui terugtrekt in haar mand. Opgerold en wel doezelt ze weg. Zwart schatje. En als ik dan langsloop, krijg ik hoe dan ook even een déjà vu. Meteen voel ik elke spier in voeten en benen. Wandelen wou ik, wandelen zal ik. May houdt van tempo. Duin op, duin af. Ze rent als een hinde, is wendbaar tot en met en onvermoeibaar. De gouden 5-minuten-regel, in feite bedoeld voor de grote en verzwakte rassen, heb ik opgegeven. We lopen gewoon onze ronde, want anders wil Miss May in huis en tuin de boel op stelten zetten en lekker keten. Na het Berger Bos volgen nog de diverse rondjes door eigen dorp.

Begrijpelijk dat de tijd sneller gaat dan ooit. Dus als ik even niets van me laat horen, weet dan, dat mijn nieuwe huisgenoot weet van wanten. En van handen binden. Iets waaraan ik me met plezier overgeef. De zomer van 2014 heeft zo een onverwachte wending genomen en een warm randje gekregen. Met dank aan en respect voor de mensen van de Stichting Robustiano, die dit hondje een kans gegeven heeft. En mij dus ook.

              

vrijdag 18 juli 2014


May Day, May’s Days...

Zonder trouwe ouwe Molly tekort te doen hebben we besloten de leegte op te vullen die is ontstaan na haar dood. Hand zoekt nu eenmaal telkens hond. En hoor ik daar getrippel op de vloer? Het kraken van de mand? Geen enkele wandeling is zo leuk als met een viervoeter om je heen. En naar zee gaan krijgt er meer diepgang door. Los daarvan laat ik me graag vertederen door de grapjes van honden, hun aandoenlijke gedachtegang, vondsten en oplossingen. Net als bij het kijken naar kinderen kun je je door dieren zo mooi laten verwonderen. Als je 28 jaar honden gehad hebt, is het vanzelfsprekend dat je moet wennen aan dagen die opeens voor jou alleen zijn. Niks aan. En tenslotte was ik als kind al zo gek op (deze) dieren.

Als hand in de afgelopen weken geen hond vond, maar vooruit, dan tóch weer het toetsenbord van de computer – dit mens moet wat – klikte diezelfde hand sites aan, waarop honden aangeboden worden die opgevangen zijn in het buitenland, zodat hen een tweede kans geboden wordt om te voldoen aan hun recht op een gelukkig leven.

Op één van die sites vond ik de labradormix May. Ze keek me telkens aan en elke keer dacht ik: “Ze is er nog.” Vijf maanden oud. Jong genoeg om met een liefdevolle begeleiding en veel aandacht alle kanten mee op te kunnen, vooral de goede.

Op een dag keek ze me weer aan, keek ze óns aan. Ze is er nog. Wacht ze op ons? Moet het dan zo zijn? De knoop werd doorgehakt, geld voor de overtocht overgemaakt. De formulieren zijn ingevuld retour gezonden en vol bewondering voor de professionele en zorgvuldige manier, waarop er met de opvanghonden van Robustiano wordt omgegaan om te voorkomen dat deze dieren van de regen in de drup terecht komen, wachten wij op de komst van May. Net als ik is zij een "eilander". Ze komt van Gran Canaria.

We praten over haar, zijn gewend geraakt aan haar naam en als zij dat ook blijkt te zijn, blijft zij gewoon “May”. Op zijn Engels.
Het heeft wel iets. “Gaat May mee naar zee?”  “May, kom je mee?” En wat te denken van de naam van haar hondenhoekje in de keuken: “May’s happy place”. Onder “Molly’s Corner” was daar nog ruimte voor. Zie je nou? Het bijt elkaar niet...

En dan die lieve, positieve reacties van de diverse vrienden die al op de hoogte gebracht zijn.

Van May-be naar May be. Ofwel: van “misschien” naar “het mag zo zijn”. Welkom May en dank aan het team van Robustiano! En aan degene die een advertentie voor haar plaatste op "Baasje Gezocht". We zochten, vonden en kijken er nu naar uit haar op te halen van Schiphol. May Day, May’s Day’s…


 

vrijdag 11 juli 2014


Vakantieliefde

Gisteren begonnen we de dag redelijk vroeg. Met een missie. Er moet een nieuwe voordeur komen. Eén met een Hans-en-Grietje-luikje. Als in de toekomst de bel gaat, zwaai ik niet meteen de hele deur open, maar alleen dat mini-draairaam. Lijkt me geweldig. Knibbel, knabbel, knuistje…

In het derde deurencentrum kwamen we tot een offerte. Niet dat in die andere centra de bediening te wensen overliet. Integendeel. In de kop van Noord-Holland is de klant nog koning. Een vorstelijke ervaring, kan ik je verzekeren!

Inmiddels reden we met blij gemoed halverwege Medemblik. En voor we het wisten, zaten we plotseling in een totaal andere wereld, aan boord van de Cygnus, het zeilschip van vrienden. De koffie smaakte goed, er woei een zacht windje. Zodra je voeten een steiger voelen, ben je sowieso meteen al ontspannen, laat staan wanneer je lekker lui in de kuip zit, terwijl de stagen voorzichtig klappen tegen de mast en de stemming prettig is. Maar de missie was: een nieuwe voordeur, dus op het aanbod een stukje te varen, gingen we wijselijk niet in.

Toch laat ik ook het einde van die ‘s zomerse dag niet onvermeld. Thuiskomen vind ik ook na leuke bezigheden het beste wat je kan overkomen. Wat zich achter mijn voordeur afspeelt, ontspant me het meest. In dit jaargetijde kun je daar gerust de tuin bij betrekken.
 
De namiddagzon scheen, het ligbed wachtte. Begon ik deze week om 10.00 uur op het strand een bijzondere relatie met Kees de jongen en slaap ik sindsdien alle nachten met hem in, op mijn terrasje ontbrak hij evenmin. Ik ontmoette hem op de markt in Bergen, waar het sowieso altijd gezellig is. Om hem heen kon ik niet. Hij claimt me wel een beetje, maar vooruit. Zulk lachen met die knul.
 
Hij is al een ouwetje hoor. Geboortejaar 1923, net als mijn moeder nota bene. Maar zijn fantasie en humor doen het anno 2014 nog steeds goed. Hij amuseert en vertedert me, zijn pure gedachten volg ik met empathie, de band met zijn vader is hartverwarmend. Met plezier volg ik hem, deel ik mijn tijd met hem. Best wel toegewijd, want dat verdient deze knaap, mijn vakantieliefde. Het quasi onverschillige dat hij soms bloot legt, kan hem misschien nog eens duur komen te staan. Best spannend, maar ik vertrouw erop dat hij zijn weg zal bewandelen met opgeheven hoofd, tot het eind. Ondertussen blijf ik me graag in hem verdiepen en vind ik het leuk dat hij mij op zijn leeftijd met zijn jeugdige overmoed in zijn greep houdt. Zo wil ik óók wel oud worden!

O, jee. Terwijl ik uit mijn raam kijk, zie ik hem al liggen onder de parasol. Kees, jongen, ik kom eraan, hoor! Even nog wat factor 30 op de benen - tja, dit is per slot 2014, man - en dan ga ik met jou een bakkie doen!
 
 

donderdag 10 juli 2014


Die gelukkig makende combinatie                                      

Als er iemand met succes een ster was in het focussen, dan was het wel mijn labrador Molly. In ruil voor haar aller-charmantste likjes op hand of wang, haar mooizitterij met de blik scherp en alert afwisselend gericht op de inhoud van een jas- of broekzak en de ogen van degene van wie zij vermoedde dat die haar kon voorzien van iets lekkers, kreeg zij alles voor elkaar.

Van tijd tot namen wij na onze boswandeling de route door het dorp naar huis. Tegenover de ijskraam hield zij de adem en haar pas in. Zij ging zitten en zocht oogcontact met de eigenaar. Hoe ik haar ook aanspoorde, er was geen beweging in haar te krijgen. Ze keek mij aan, richtte zich kort op het winkeltje vol koude zoetigheid en weer op mij. De boodschap was duidelijk. Oversteken. Er wordt op mij gewacht. En zo was het. Iedereen bekeek dit ongewone tafereel en ritueel met een glimlach. Ook de ijscoman.

Soms dwong Black Molly mij tot de aankoop van zo’n heerlijke Italiaanse gelato. Altijd vanille. Want daarvan durfde ik haar ongestraft het laatste restje te geven. Had ik er geen trek in, dan wist ze de verkoper met haar charme om haar poot te winden. Hij vond altijd wel een kapot hoorntje. Ze herkende onmiddellijk de lichaamstaal en handelingen van die lieve man en sprong nog net niet via het loket de tent binnen. Zelden iemand in zó korte tijd zó zien genieten van iets eetbaars. Heftig kwispelstaartend. Hap, snap, op.

Weken we van onze route af, dan rook ze met haar ongelooflijk goede neus dat de slager in beeld kwam. Weer die focus: “Ja, hallo, zeg. Doorlopen? Gaat ‘m niet worden. Mijn bonus is binnen bekbereik! Naar beneden dus…”  Vooruit. Tijd voor Limburgs Kloostervarken. Voor mij dan, natuurlijk. Molly volgde buiten wat er binnen gebeurde en keek met onafgebroken begerige blik haar stukje worst van het hakblok af. Wat hield ze van die slager!

De laatste hobbel moest dan nog genomen worden. De kaasboer. Daar bleef ze keurig liggen op de mat, terwijl haar warme ogen alles volgden – en vooral winkelier Niek. Haar zelfbeheersing duurde tot mijn portemonnee rammelde. Dan brak háár momentje aan. Het werd haar gegund. Wie krijgt er nu kaas met een aai en een knuffel? Het is mij nooit overkomen…

De Berger markt bood eveneens kansen. Of het bos. Menig wandelaar die picknickend op een bankje zat, viel voor haar charmeoffensief, ondanks mijn: “Nee, Molly, niet voor jou!” Haar antwoord? De  snuit een tel gericht op het broodje van de recreant, de tong die even langs haar lippen ging. De staart, ingehouden kwispelend. On-weer-staan-baar. Dus… mmm.

Charisma, charme, focus. Tomeloze dankbaarheid na het bereiken van je doel. Die gelukkig makende combinatie. Onthoud hem. Je hebt er geen coach voor nodig. Kijk eens wat vaker naar het gedrag van dieren.

Mijn zwarte goud: brave, grappige Molly. Ze is er niet meer. Ze heeft me dagelijks vertederd, aan het lachen gemaakt, uitgelaten en bewaakt in onze fantastische bossen. Mens en dier. Over gelukkig makende combi’s gesproken. Wat een voorrecht dat zij bijna 12 jaar lang mijn leven deelde. Je zou ervan gaan kwispelen. Hulde aan de middenstand en de ware hondenliefhebber die ons pad kruiste. En aan dierenarts Maaike Dolk, die Molly begeleidde, zodat ze vol overgave in alle rust vorige week thuis kon inslapen. Haar kop op mijn arm.

 
Deze blog is verschenen in het Begens Nieuwsblad van 9 juli 2014

woensdag 18 juni 2014


Verstekeling

Vandaag was ik met Molly in het Bergerbos, waar de honden weer los mogen lopen. Halverwege de terugweg ontdekte ik midden op de motorkap een slak. Nu staat onze auto naast een klimophaag en misschien was dit mooibehuisde weekdier in alle vroegte begonnen aan een uitstapje zonder dat wij acht op elkaar sloegen.
 
Op dat moment kon hij niet voorzien, dat hij die dag zijn perspectief zo rigoureus zou verbreden, zodra ik wegreed. Op het parkeerterrein voor “Duinvermaak” was hij misschien weer op zijn schreden teruggekomen, zodat ik hem gewaar werd. Ter hoogte van ons Klimduin, waar ik mij keurig hield aan de maximum snelheid, moet hij zich geërgerd hebben aan mijn slakkengangetje. Geef hem eens ongelijk. Hij zette er plotseling flink de sokken in, parallel aan mijn ruitenwissers. Of werd het hem te warm onder de voeten, of liever: onder het weke lijf? Dat kon ik me bijna niet voorstellen van deze koudbloedige. Zou hij niet wegwaaien? Te pletter slaan tegen de voorruit? Moest ik stoppen en hem asiel verlenen langs de kant van de straat tussen het struweel?

Behoedzaam sloeg ik de weg in, waaraan ik woon. De term “koelbloedigheid” begreep ik zodra ook hij, misschien enigszins van slag, plotseling van richting veranderde. Nu bewoog hij zich met de dood in de ogen eigenwijs met de rijrichting mee.

Home sweet home, beestje, kom op. We zijn er bijna,” mompelde ik. “Hou vol, hou vast!” Tot mijn opluchting stonden we luttele seconden later naast de klimophaag. Terwijl mijn kleine vriend zich gezwind begaf naar het vertrouwde groen en een zilveren spoor achterliet op de motorkap, nam ik snel wat foto’s om dit ongelooflijke avontuur te kunnen illustreren.

Zou hij het vochtige groen bereikt hebben, vroeg ik mij binnen af. Of zou hij in al zijn kwetsbaarheid voortijdig gegrepen zijn door een gulzige ekster?  



Dwarsliggers uit een gouden tijd

Onlangs pakten we op een zondagochtend de fiets om de duinen in te trekken, een weerkerend voorrecht. Het is niet alleen lekker de spieren te moeten gebruiken – heuvel op, heuvel af – of een frisse neus te halen. Van de steeds wisselende vergezichten en van de natuur die nooit hetzelfde oogt, kan ik intens genieten.

De laatste jaren komt daarbij, dat het goed is van tijd tot tijd te zien, hoe alles zich hersteld heeft na de bosbranden die hier gewoed hebben. Eerlijk gezegd kan ik me niet vinden in het feit, dat Staatsbosbeheer ertoe is overgegaan grote delen terug te brengen tot wat het ooit, héél vroeger was: een zandverstuiving. In die tijd bestond zo’n zandbestuiving beslist uit van dat mooie, beige, bijna gele duinzand, dat oplicht onder de zon. Nu echter kan het zijn dat je plotseling verzeild raakt op een kunstmatig geaccidenteerde, grauwe en grijze vlakte die erbij ligt, alsof jíj de weg kwijt bent. Het lijkt een afgegraven stuk bouwgrond. Tussen het groen, dat dan weer wel. Maar toch. Hard doorfietsen dus en snel de aangelegde ellende vergeten. Kijken naar wat wél mooi is.

Deze zondag was het gelukkig windstil. Bij harde wind word je beslist bij die gebieden gezandstraald. Dan lijkt het me onmogelijk daar nog voor je plezier te fietsen. Zand kruipt overal tussen en in. Hijgend (meestal met open mond) zo’n duin beklimmen? Ik moet er niet aan denken. Zo’n verstuiving uit de tijd, dat alleen de elite recreëerde, omdat de goegemeente zware lichamelijke arbeid verrichtte en lange dagen maakte, kan alleen bedacht zijn achter een tekentafel door mensen die in een auto het terrein doorkruisen…

Nu was het planten van nieuwe bomen waarschijnlijk een te kostbare geschiedenis voor Staatsbosbeheer. Begrijpelijk. Maar dan nog. In andere gedeelten zie je, dat de natuur zelf de verwoestende schade van de woekerende vuurzee op een prachtige manier te boven is gekomen. Het is er weer groen en zacht glooiend, er wonen vogels. Flora en fauna gedijen.

Helemaal afgrijselijk vond ik de betonnen duintrap langs een van de fietspaden, die we tijdens onze tocht ontwaarden. Hoezo geldgebrek? Dit leek me een kostbare grap, wanneer je de hand aan de knip moet houden. Maar ik vroeg me af waarom voor ons, natuurmensen, bepaald is dat we zo’n vlak heuveltje niet gewoon zónder treden mogen bedwingen. Recreanten die zover in het gebied zijn doorgedrongen, getuigen van fitheid en spierkracht. Zouden zij ergens even willen rusten of willen genieten van het uizicht, dan kunnen ze toch lópend door het groen de daar geplaatste bank bereiken, in plaats van via een geplaveide trap? Ik dacht dat Staatsbosbeheer de natuur zijn gang wilde laten gaan?

Los daarvan stoorde het me, dat bank en trap niet op dezelfde lijn liggen. Terwijl om je heen op deze plek werkelijk alles harmonieert, blijkt maar weer dat menselijk ingrijpen zorgt voor lelijkheid en disharmonie. Het laat de zesjescultuur zien, waarbij zonder aandacht gewerkt wordt. Op de spreekwoordelijke i ontbreekt vandaag de dag te vaak het zo gewenste en noodzakelijke puntje. Men kijkt, maar kan niet werkelijk meer zien.

Daarvan getuigden ook de twee restanten van de vroegere houten trap, die er nog lagen. Verloren dwarsliggers uit een gouden tijd. Mijn devies? Gauw weggaan en de andere kant opkijken. God, wat is dit gebied toch uitgestrekt en mooi! Daarachter: de zee. Ik hoor het, ik ruik het. Zo is het bedoeld.
 
 
 

maandag 16 juni 2014


Brave Molly

Het is onvoorstelbaar dat ik vorig jaar nog elke dag anderhalf tot twee uur aan één stuk flink kon doorwandelen met onze lieve hond. Met gemak stapten we zó tien tot twaalf kilometer weg. Fitness for Life. Nu kuieren we door het bosje voor ons huis, alsof tijd en afstand niet bestaan. Een snuffeltje hier, een plasje daar. Stilstaan en weer doorgaan. Hé. Is het nu toch al zó laat?

Ondertussen zingen de vogels dat het een lieve lust is. Dit jaar lijkt het wel, alsof ze in aantal flink gegroeid zijn, maar natuurlijk is dat niet zo. Door zo langzaam te lopen, vallen de geuren, maar ook de geluiden meer op. Soms vergaat horen en zien me en tegelijkertijd kan ik er geen genoeg van krijgen. Het is een walhalla voor de vogelliefhebber, daar in het Nollenbos. Nu sta ik ernaar te luisteren, terwijl Molly haar grasjes intensief inspecteert en beruikt. Toch weer allebei “in het moment”, in het hier, maar in slow motion. Toch af en toe die hondenkop die zich naar mij opheft met in haar blik de blijdschap: leuk, wij, zo samen in het bos.

Op Dierendag 2002 haalden wij haar op in Bleskensgraaf. Ze was zeven weken oud en vanaf dat moment werd haar wereld groter: samen ontdekten we mooi Schoorl en Bergen, de duinen, het strand en de zee. Nu wordt haar wereld kleiner, al brengt de auto ons soms nog ver en tot een weerzien met haar oude en nieuwere vrienden die haar even aansporen tot actie. Ze zeggen wel eens dat het venijn in de staart zit – zo niet bij Molly. Háár staart kwispelt onverminderd jong en jeugdig en vooral zo blij.  

2014. Het is alle dagen Dierendag. Het tempo is uit ons samenzijn. De warmte en liefde, de intensiteit en betekenis ervan gelukkig niet. Het nare van tijd is, dat hij almaar doorloopt. Dat maakt hem zo kostbaar. Tijd is onvervangbaar. Net als Molly. Goh. Zijn er alweer bijna twaalf jaar voorbij? Het is en blijft leuk je leven te delen met een dier.

Brave Molly. Blijf – al is het misschien nog maar even!

Als kind al dol op honden. Aruba 1959

Met Chelsea en Molly. Schoorl 2012
 

Hondsbrutaal

Ongeveer half april reed ik van Schoorl naar Bergen. Het was druk. Aan de doorgaande weg van het dorp naar de N9 werd gewerkt en dus raakte de alternatieve route via Bergen overbelast. We sukkelden achter elkaar aan over de Landweg.  

Door dat lage tempo had ik tijd wat om me heen te kijken, zonder het zicht op het verkeer te verliezen. Twee kleine op elkaar lijkende villa’s kwamen in beeld bij de naast de straat gelegen ventweg.

Achter het gesloten smeedijzeren hek van het rechterhuis zag ik een boos blaffende hond, een beige rasdier van formaat. In een fractie van een seconde zag ik ook de oorzaak van dat felle protest. In de berm van de ventweg stond een grijsmetallic auto, type Japanner.  Achter het stuur een dikbuikige man. Een eveneens corpulente dame liep met een overduidelijk zelfverzekerde blik naar het hek, waarachter de hond nu ook heen en weer begon te springen vanwege de onrust rond zijn terrein. Werd er een pakje bezorgd? Het waakse dier wond zich immens op.

Inmiddels was ik bijna voorbij de villa gereden om nog net tot mijn verbijstering te kunnen zien wat er gebeurde. Opeens wist ik, dat ik er goed aan doe, onze eigen viervoeter nooit alleen in de tuin achter te laten, wanneer ik wegga of boven in huis bezig ben. De vrouw – in haar ogen nog altijd die uitdrukking van “dat varkentje zal ík wel eens eventjes wassen” – duwde namelijk de hond iets eetbaars in zijn bek!

Het was dat ik niet onmiddellijk kon stoppen. Dat ik terstond ging twijfelen of ik het echt goed gezien had. Of zag ik in mijn spiegel, dat de handeling herhaald werd?

Zoiets kan en mag mijns inziens niet. Zoiets vind ik hondsbrutaal. Niemand zou ongevraagd mijn hond iets mogen voeren, omdat hij nu eenmaal niet alles mag hebben of kan verdragen. 

Nu betrap ik mezelf erop, dat ik me van tijd tot tijd afvraag hoe het dit dier is vergaan. Zou hij er hondsberoerd van geworden zijn? Zou hij überhaupt nog leven? Was ik maar alerter geweest, had ik maar kunnen stoppen. Moet ik eens poolshoogte gaan nemen bij de villa? Of kan ik volstaan met het verspreiden van dit nieuws – een gewaarschuwd mens telt per slot voor twee. Verlies je hond nooit uit het oog!


 


donderdag 29 mei 2014


Eendenleed                                                                                       

Vaak hoor je dat dieren niet zouden kunnen voelen. Bij een paard en een hond zou het nog wel kunnen, zeggen ze. Zij reageren op hun baas met emotie. Bijvoorbeeld als die na weggeweest te zijn terugkomt. Een paard kan dan blij hinniken of schrapen met de voorbenen, een hond kwispelt. Apen zijn eveneens gevoelig – wist je dat het DNA van chimpansees voor 98% overeenkomt met het onze?

Dat vissen pijn kunnen voelen, is onderhand wetenschappelijk bewezen. Zo’n haak in hun bek van iemand die langs de waterkant naar ze hengelt, voelen ze dus wel degelijk. Nooit geweten wat de lol ervan is, die dieren te vangen en dan prompt terug te gooien. Het zal je gebeuren. Mag je verder zwemmen met een pijnlijk gehemelte. Ellendig, hoor.

Vorig jaar was ik er op de A9 getuige van, dat ook eenden een uiterst rijk gevoelsleven hebben, al wordt misschien het tegendeel beweerd. Niets van geloven! Ze kunnen volledig van de rel zijn als hen iets overkomt. We reden er twee banen breed met zijn allen aardig op los. Vlak voordat we de tunnel indoken, voltrok zich een drama. Ik zag het gebeuren, minderde vaart. Een moedereend met in haar kielzog een stuk of 6 jongen die er al een paar weken met elkaar op hadden zitten, dreigde de drukke weg over te steken. Hardop riep ik: “Nee! Nee, niet doen, uilskuiken, nee!”

Had ik nog cabrio gereden, dan had het wellicht geholpen. Niet geweten, dat mijn stemvolume zelfs mijzelf zo kon verbazen. Maar ik reed in een dichte auto en moedereend bracht haar plan gewoon ten uitvoer. Ze werd vrijwel meteen aangereden. Omdat de meesten van ons, automobilisten, erop voorbedacht waren, kon iedereen anticiperen, meeremmen met de meute, een enkeling week uit en gelukkig kon dat zonder brokken te maken. Zo zag ik toen ik het bloedige tafereeltje passeren moest met tranen in mijn ogen toe, hoe de zes jonge eendjes kwetterend en snebberend om hun dode moeder heen sprongen, als om haar aan te moedigen op te staan, toch alsjebliéft op te staan – “mama, toe! Mama, alsjeblieft, kom, wat doe je nou, mama, wat is er toch?”

Niemand kon acuut stoppen, we moesten wel de tunnel in. Ik hoopte vurig, dat achter ons iemand het verkeer kon tegenhouden om die zes kleintjes (of hoeveel ervan over waren) te redden. Sindsdien denk ik er meteen aan terug, wanneer die kleine donsjes weer rondzwemmen in onze wateren. Nooit zag ik in zulke luttele seconden zo verschrikkelijk veel leed, angst, afschuw, hoop. Zoveel emotie in die kleine lijfjes.

Dieren geen gevoel? Maak dat de kat wijs!

dinsdag 27 mei 2014


Ter overname aangeboden: Zomerwoning.

Tijdens tuinwerkzaamheden stuit ik dikwijls op slakken. Zij zuigen zich vast aan het groen dat ik aanpak en zo vaak mogelijk zet ik ze een eindje verderop terug. Dat doe ik ook als ze zich uit de Kliko proberen te werken. Wat maakt dat nou uit, een gaatje meer of minder in het gebladerte? Bij ons géén slakkendood of andere enge ellende. Bij ons kunnen de natuurlijke vijanden van deze slijmerds met een gerust hart nog wel eens hun slag slaan en een snaveltje meeprikken. Ik mag graag zien hoe een ekster het huis van zo’n slak tegen de tegels stukslaat en met smaak de inhoud oppeuzelt. Het betekent dat er in ons buitensysteem een leuk evenwicht heerst.

Bij de heel kleintjes die ik vind, moet ik extra voorzichtig zijn, want zo’n minihuisje knijp je gemakkelijk kapot. Dat overkomt me soms zelfs als ik ultra oppassend ben. En elke keer hoop ik dan maar, dat zo’n ukkepuk in staat is opnieuw kalk af te zetten ter reparatie van zijn onderkomen. Of dat hij zijn moeder nog terugvindt. Maar misschien zijn slakken direct na hun geboorte op zichzelf aangewezen?

Helaas ram ik toch wel eens ergens doorheen. Die beestjes zijn natuurlijk onomstotelijk het slachtoffer van mijn haast en onoplettendheid. Ook mijn WA-verzekering biedt geen soelaas. Dat ze behoorlijk zelfredzaam zijn en niet dom, ontdekte ik onlangs.

Een slak met beschadigd huis – ik weet het, mijn fout van vorig jaar of zo, sorry! – scharrelde tussen de kleine maagdenpalm en stuitte op een leegstaande woning! Hij heeft een bezichtiging aangevraagd, het object en de belendende percelen secuur verkend, wellicht een bod gedaan.

Hoe het afliep, weet ik niet. De plichten riepen. Hij deed ook alles met zó’n slakkengangetje. De wijzers van de klok liepen sneller. Het lege huis vond ik later terug. Ik heb het bewaard ingeval iemand t.z.t. een zomerwoning wil betrekken. Aan zee, hè. Dus extra aantrekkelijk. Zegt het voort.



Kinderroof in Schoorls Bos

Gevonden op mijn pad: een ogenschijnlijk gaaf vogeleitje in prachtig helturkoois. Wat eigeel aan de buitenkant. Foute boel. Van dichtbij bekeken, bleek de schaal gruwelijk doorboord en leeg. Stropers weten het wel. Wat je vers haalt, smaakt naar meer.

Met het tere, nu gebroken zeegroen in mijn hand loop ik door, denkend aan het arme zanglijsterpaar, dat tevoren dagenlang een kleine kraamkamer had klaargemaakt. Met zorg en toewijding, af- en aanvliegend. Zingend in het avondlicht. Blij met het ei dat spoedig gelegd werd. En daar zit je dan. Heb je opeens kind noch kraai. Hoewel… een béétje lijster zit om laatstgenoemde uit ervaring niet verlegen. Waarschijnlijk was juist die kraai de brute boosdoener die het gezang van dit onfortuinlijke vogeltje nog in de kiem gesmoord heeft. Wat nu? Een lege nestsyndroom? Uithuilen en opnieuw beginnen?

Waarom weet ik niet. Misschien alleen vanwege dat turkoois met kleine bruine stipjes. Thuis maakte ik in elk geval ter nagedachtenis aan dit verstoorde leven een zoet tafereeltje, een soort “eierschaal op schaal”, zal ik maar zeggen. Eén troost: hoe tegenstrijdig dit dan ook mag klinken, dit onbegonnen jong stierf een natuurlijke dood. De dader is nog voortvluchtig.


Zonder illustratie ook geplaatst op www.damespraatjes.nl 

vrijdag 16 mei 2014


Hoe kon ik de wind vergeten?

Zijn moeder zat op de grond, de inhoud van de hobbykast lag om haar heen. Henrico trof haar zo aan na een alarmerend telefoontje van een verzorger van het verpleeghuis, waar ze woonde. Hij boog zich naar haar toe. Een betrokken zoon.

            ‘Maak je iets voor mij, mama, net zoals vroeger?’ Hij streelde haar krullen.          

            ‘Ja. Wacht. Zie je het? Ik vouw een land van vierkanten, kneed het van blanke klei. Lava. Koraal. Of nee! Geef me een hand strandzand. Eén is genoeg.’ Ze lachte voor zich uit, greep tussen de attributen op de grond. ‘Kijk! Ik schik er water omheen, schoonheid die je meteen pakt. Nu buig ik van gaas in groen en blauw – van dráád buig ik golven, van tule in turquoise vorm ik het. Ruik je het? De zee die ik vertrouw.’ Henrico knielde neer, keek alleen maar, omdat hij haar zo niet kende en toch alles van haar terugzag.

            ‘Straks strooi ik er leven over uit,’ riep ze. ‘Vuisten vol stuiters van glas, glimmende stenen – vissen, precies zoals het was.’ Zijn moeders handen maaiden tussen de lapjes stof, het papier, de kralen en pailletten. ‘Ik graaf uit schuim een schat op aan herinneringen!’ Ze hief haar hoofd, de ogen gesloten. Op de gang riep iemand, ergens sloeg een klok. Henrico telde de slagen. Drie, vier.          

            Herinneringen? dacht hij. Om deze tijd kwam hij als kind uit school, wachtte zijn moeder om met hem te knutselen.

             ‘Zo schets ik de zon, die brandt: dit, dit is mijn eiland!’ Haar gezicht vertrok van pijn. Voetje voor voetje liet zij zich naar haar bed leiden, zakte weg in de kussens.

            ‘Warm. Het is te warm.’ Henrico pakte het tijdschrift van de nachttafel, waaide haar koelte toe. De pagina’s ritselden als palmblad. Hij zag de afbeeldingen. Een reisgids. Hoe kwam zij daaraan? Verre bestemmingen. Mozambique. De Antillen, de Caraïbische Zee.

            ‘Eindelijk thuis,’ zuchtte ze met een lach. ‘Want hoe kon ik de wind vergeten?’
 
 
Een eerder geschreven gedicht boog ik om, verbouwde ik, verstelde ik 
om dit korte verhaal te kunnen vertellen
voor mijn moeder en mijn tantes, mijn vroegere hospita en
voor iedereen die te maken krijgt of heeft met dementie.