woensdag 23 november 2016


Made in Schoorl                                                                                         

Bérgen het kunstenaarsdorp is binnen onze gemeente? Grootse scheppers verblijven en creëren echter net zo goed (en gráág) binnen de dorpsgrenzen van het mooie, pure Schoorl. Of deden dat, zoals bijvoorbeeld de onvergetelijke inwoonster Hanny Alders, ons helaas ontvallen in 2010, en de in 2012 overleden auteur J. Bernlef. Beiden schrijvers, omdat ik me bij hen nu eenmaal thuis voel. Heel wat woorden werden hier te boek gesteld, door menig auteur. Diverse andere schone kunstvormen vonden hier tevens het levenslicht.

Onlangs mocht ik volkomen onverwacht een blik werpen in het nieuwe theater dat Schoorl rijk is. Onthoud dit, want anders rijdt u er duizend keer in véél te snel tempo via de Voorweg aan voorbij. Zonde! Even de gemeentekranten in de gaten houden en de haastige spoed doorbreken. Dit theater bevindt zich in de voormalige basisschool de “Oosterkim” en heeft zelfs bij gewoon, vol elektrisch licht iets magisch. Muren vol vlinders, oranje stoelen – echt pluche – en ook nog zodanig opgesteld, dat zelfs de kleinsten een mooi zicht houden op het podium. Gordijnen, belichting. Wat zal een voorstelling daar ons raken...

Drijvende krachten zijn meester-poppenspeler Ila van der Pouw en haar partner Rob Bloemkolk. Schoorlaars. Op dit moment bereiden ze een bijzondere voorstelling voor, maar dat zijn eigenlijk alle producties van Ila. Eén blik op haar website is voldoende om dat te concluderen. Wat deze keer echter zorgt voor extra opwinding is, dat Ila de rechten heeft verworven voor het maken van een theaterstuk rondom “De Grote Vriendelijke Reus”, kortweg “De GVR” naar het meesterwerk van Roald Dahl. Juist. Dé Roald Dahl. En die rechten worden dus echt niet zomaar aan iedereen toegekend. Begrijp me goed: gratis krijg je ze evenmin. Maar met Ila’s talent zal ook deze keer iets worden neergezet, waarover je nog lang kan, mag en wil nadenken en praten, of je nu kind bent of ruimschoots volwassen. Ila heeft nl. al diverse prijzen gewonnen of werd daar tenminste voor genomineerd, ook buiten onze landsgrenzen en buiten Europa. Wat is ze een gewoon aardig mens gebleven! Haar poppen zijn prachtig en meestal zelfgemaakt. Menshoog, levensecht. Op haar website zegt ze daarover: “Om dat voor elkaar te krijgen moet je geloven dat je poppen je werkelijk iets te vertellen hebben. Je moet ze zelf ook geloven.” En zo is het, dit raakt me, zo werkt de creatieve geest, het is herkenbaar voor de meeste kunstenaars binnen elke kunstvorm.

Vandaag houd ik het dicht bij haar, omdat dit stukje anders zou uitpuilen en de kans desondanks groot is, dat ik mensen zal passeren, wat de bedoeling niet is. Wel vind ik het op zijn plaats de werkzaamheden van Rob Bloemkolk niet onvermeld te laten. Misschien herinnert u zich nog zijn messcherpe analyses in zijn columns in het helaas verdwenen blad “Villages”. Hij is in de televisiewereld zeker geen onbekende: onder meer “De Val van Aantjes” (2013) zal u nog in het geheugen liggen. Een juweeltje was ook “Beet” (VPRO Cinema, 2003), een dialoogloze korte film, waar hij het scenario voor schreef met Annemarie van de Mond, binnenkort te zien op het Nederlands Film Festival, als ik het wel heb. Het theater is hem eveneens niet vreemd: “Het mysterie van Villa Fantoom” (2009). En terwijl ik dit stukje schrijf, schijnt hij net weer teruggekomen te zijn van “drie dagen eindregie en twee nachten herschrijven van scènes” voor nieuw en ander werk. Die drukte vraagt om de gok hem mijn artikel niet te laten lezen. Zelfoverschatting? Zou hij het liefst alles herschrijven?  

Via Google lees ik dat de première van “De GVR” plaatsvindt in De Vest in Alkmaar op 25 september, de try-out voor scholen in ons eigen Schoorlse Theater aan De Kim. Jeetje, was ik nog maar leerling… Dan zou ik kunnen zien hoe de Reus onder regie van – ook al zo’n grootheid – Neville Tranter (Amsterdam, sinds 1978) de kleine Sofie uit een weeshuis haalt en meeneemt naar zijn grot, waar duizenden dromen in glazen potjes wachten. Sofie overwint haar angst voor de reus en stapt vol verwondering zijn wereld in, al liggen er ook gevaren op de loer. Ik weet zeker dat Ila van der Pouw iedereen zal betoveren! Enne: alles is made in Schoorl, hè. Stipje op de kaart van Nederland. Groots. Of u het zich even goed wilt realiseren.

Foto: Website Ila van der Pouw
In een andere productie, één met haar poppen, dat is hier goed te zien :-)


Ze hoeven niet altijd mooi te zijn, visioenen. Er zijn veel definities van te vinden via Google. De eenvoudigste verklaring is “droombeeld”. Wat indrukwekkender vind ik “een innerlijk gezicht van profetische of mystieke aard, dat als iets bovennatuurlijks, in een toestand van extase, trance of droom ervaren wordt”. Een andere uitleg voegt daar nog aan toe dat zo’n beeld een boodschap of voorspelling bevat. Iemand die zo vaak ver in de toekomst kon kijken, was de welbekende Franse Nostradamus. Althans, dat zeggen zijn aanhangers. Hij werd geboren in Saint-Rémy de Provence in 1503 en overleed in Salon de Provence in 1566. Langs zijn huis ben ik herhaaldelijk gelopen. Toch indrukwekkend, het geboortehuis van zo’n man over wie eeuwen later nog wordt gesproken en van wie zijn werk van tijd tot tijd opnieuw uitgebracht wordt, vertaald en wel. Hij schreef zijn Profetieën in 1555: de Wereldoorlogen, de praktijken van Hitler en Napoleon, het communisme, en zelfs het terrorisme in Europa. Niet mooi dus. En een gevoel van machteloosheid zal hem beslist overvallen hebben.

In Bergen hebben we de afgelopen herfstvakantie heel wat visioenen van veel kunstenaars kunnen bewonderen of gewoon onbevooroordeeld kunnen aanschouwen of ervaren. Een mooi thema, al vond ik veel van de werken die ik zoal zag er niet echt in thuishoren. Maar misschien zal pas over een jaar of over een eeuw blijken, dat het destijds in oktober 2016 weldegelijk ging om echte visioenen.

Zo bleek ik bij het schrijven van mijn roman “Erfdeel” tussen 1995 en 2005 regelmatig in trance verkeerd te hebben. Niet dat ik gedurende tien aaneengesloten jaren aan dit boek werkte. Integendeel. In die periode verhuisde ik zelf 4x en hielp ik mijn moeder 2x verhuizen, werd zij uiteindelijk zeer dement en stierf ze in 2004. Overigens herinner ik me nu opeens dat ik over haar wel eens een echt visioen gehad heb. Het moet 1978 geweest zijn, ik woonde nog op kamers in Den Haag, werkte in het onderwijs en luisterde bij toeval op een vrije middag naar een radioprogramma, dat uitgezonden werd vanuit een verpleeghuis. Plotseling moest ik erg huilen, móest ik mijn moeders stem even horen, dus belde ik haar op. Ze vroeg wat er was. Mijn relaas eindigde ik, wederom in tranen, met de woorden: “Het lijkt me zó verschrikkelijk, dat juist jou zoiets overkomt…” Natuurlijk riep ze uit, dat haar dat helemaal niet ging gebeuren. Toch was het zo, 20 jaar later was het een feit.

Bij bepaalde passages tijdens het schrijven moet ik haast wel af en toe even van de wereld geraakt zijn. Mensen wijzen me soms op fragmenten die ik niet meteen herken. Laatst heb ik daarom toch maar weer eens een boek van mezelf herlezen, een gekke gewaarwording. Want zo’n kleine tien jaar na het schrijven van “Erfdeel” bleek de daarin omschreven dood van de hond van het hoofdpersonage, Carmen, bij toeval enorm overeen te komen met de manier waarop ik onze zwarte Molly in 2014 met behulp van dierenarts Maaike thuis heb moeten laten inslapen. Het was eind juli, niet bepaald de tijd van de vergeet-mij-nieten, toen ik haar as begroef onder een hortensia, de schaduwrijke plaats waarvandaan ze mij het liefste observeerde, wanneer ik onkruid wiedde of blad harkte. In het voorjaar van 2015 kwamen ze rondom haar overal op, dicht op elkaar, de kleine blauwe bloemetjes die me lieten weten wat ik toch al wist: dat ik dit trouwe dier nooit zou kunnen vergeten. Carmen had ze daar denk ik over haar uitgestrooid… Daarnaast is de scène waarin Carmen op Aruba haar geboortehuis terugziet precies gelijk aan mijn eigen ervaring in 2009 bij het weerzien van het huis uit mijn jeugd aldaar. Zodoende heeft de huidige bewoner van binnenuit een prachtige foto van een glas-in-loodraam kunnen maken, die nu prijkt op mijn roman “Glas-in-lood”.  

 

Over die straks ontboste duinen heb ik óók al visioenen gehad. Sindsdien overvalt me de machteloosheid. Want alles ligt toch al vast… Het gaat natuurlijk gewoon dóór of we dat nu willen of niet. Maar verzwakt straks dat losse zand onze zeewering niet ernstig, terwijl het water aan het wassen is? Honderd jaar oude boomwortels houden de boel toch beter “dijkvast”, lijkt mij, dan dat onooglijke, oorspronkelijke duinorchideetje, dat Staatsbosbeheer wil terugkweken? 

https://1.bp.blogspot.com/-RPJGOfwVHno/WDXT5yEJvpI/AAAAAAAAAA0/7_DNB8kIRiI8WWhnaR5jE4catnKKUv3ewCLcB/s320/Herfst%2B31%2Bokt%2B7.jpg

 

 

maandag 29 augustus 2016


Ode aan de vriendschap

Ze ontstaan als vanzelf, ongeforceerd en bij toeval. Althans, bij mij is dat zo. Je woont bij elkaar in de buurt, je ouders zijn bevriend, je komt in eenzelfde klas terecht of woont op kamers in hetzelfde huis. Je bent collega’s en ontmoet elkaar ook na het werk. Je verhuist en in het appartementencomplex begint het met een praatje met de buren, een kop thee en een gezamenlijke maaltijd. Je wordt lid van een serviceclub en met een aantal leden houd je voorgoed contact, anderen blijf je volgen en als je ze ziet, deel je iets warms uit die vervlogen tijd. Vrienden voor het leven, een voor een. Ook al neemt de frequentie van je bezoeken af. Vaak noodgedwongen, meestal omdat er nu eenmaal 24 uur in een etmaal zitten en slechts 7 dagen in een week. En mede daardoor verwateren sommige vriendschappen ook. Tot je elkaar weer eens tegenkomt en het is, alsof de tijd totaal heeft stilgestaan. Het is me niet vaak overkomen dat ik na verloop van tijd bedacht, dat we geen aansluiting meer hadden. En als ik zie of ervaar hoe de diverse jeugdvriendinnetjes geworden zijn, dan vind ik het leuke vrouwen. Dat geldt voor zowel degenen die je na jaren weer terugziet, als voor die van de continue vriendschappen. In het eerste geval kan het zijn dat je na lange tijd weer eens bij elkaar aan tafel zit en met elkaar komt tot echte gesprekken en ouderwetse lachbuien. In het tweede geval voelt het als familie. Je hebt elkaars ouders gekend tot aan hun dood, volwassenen die jou iets van de liefde die ze voor jou als kind voelden, nalieten. Het is hoe dan ook in beide gevallen altijd zo dierbaar en vooral zo gemakkelijk.

Iemand zei me eens, dat het leven met de mensen om je heen is als het reizen met een trein: er stappen mensen in en er stappen mensen uit. Sommigen reizen lang mee, sommigen doen een tussenstation aan en gaan jaren een eigen weg, springen dan op een dag wederom aan boord om met jou die reis te vervolgen. Anderen zie je nooit meer terug. Niet erg, vooral niet wanneer de herinneringen prettig zijn. Dan blijven ze op de een of andere manier toch een beetje met je oplopen en dat is mooi. Tenzij het helemaal de bedoeling niet was dat ze voortijdig het eindstation aandeden.

Jammer genoeg komt het voor, dat in jouw wagon door toedoen van anderen sommige passagiers meeliften met wie de bekende “klik” uitblijft. Dat kan best problematisch worden. Nu ga ik eigenlijk altijd met open vizier op stap, altijd nieuwsgierig naar anderen, vooral wanneer ze iets spiegelen dat ik niet goed ken. Dat vind ik een uitdaging, maar ik blijf daarbij trouw aan mezelf. Soms ontstaat er alsnog iets leuks, maar als ik het gevoel krijg nooit goed genoeg te zijn, of wanneer ik aan voorwaarden moet voldoen die niet bij me passen, dan stop ik er tegenwoordig geen energie meer in. In een tuintje met bloemen zie je ook dat sommige planten gaan woekeren. Als mij dat verstikt, mag ik dan weggaan of moet ik het me laten welgevallen? Dat is de vraag, de eeuwige afweging.

Gelukkig. Een immense rij vriendinnen loopt al jaren met me op. Dat ik daarnaast de vriendschappen van mijn ouders mocht overnemen, zie ik als een extra cadeau, dat bijna helemaal is uitgepakt op grond van hun leeftijd, helaas. Zij leerden me de waarde van kameraadschap, iets om dankbaar voor te zijn. Als ik ze allemaal regelmatig zou willen ontmoeten, dan heb ik elke dag iets anders te doen. Vaak laat ik het aankomen op – alweer – dat toeval. Dan pak ik de telefoon, krijg ik 2x geen gehoor en bij de derde is het bingo. Een afspraak is dan snel gemaakt, een gezamenlijk museumbezoek volgt of een dagje in de stad, een lunch of diner bij een van ons, al dan niet met “de mannen”. Het is jammer dat het verkeer zo druk is en vooral dat automobilisten vaak niet aandachtig rijden, zodat ik tegen een lange autorit ben gaan opzien en ik sommige vriendinnen veel te weinig zie. Me bewust van de eindigheid van het leven, omdat ook ik zomaar vanzelf een 60-plusser geworden ben en al van vriendinnen definitief afscheid nemen moest. Het mooie is dat ook zij, net als alle anderen, met me blijven opreizen. Leeftijd bestaat dan niet. Alleen nog Lééf tijd. Herinneringen maken daar wezenlijk deel van uit.

Mijn 8e verjaardag in Bergen, Duinhoeve

Fitness voor lichaam en geest

Ja, hoor. De kogel is door de kerk. Of liever: door de sportschool. Sinds half augustus bevind ik me eindelijk weer eens met regelmaat in een fitnesscentrum. Riep ik vroeger als instructeur dat het de enige manier is om gezond ouder te worden, nu onderschrijf ik dat ferm. Ook onderken ik dat ik het véél eerder had moeten doen.

Maar ik tuinier toch vaak? En die dagelijkse wandeling met de hond gedurende twee uur? Er zijn grenzen… Ja, er waren net iets meer redenen om nog een jaar te wachten. Voor je het weet, verstrijkt de tijd en ruim anderhalf lustrum later constateer je dan opeens dat er véél meer redenen zijn je NU op te geven.

Zo sprong ik op een dag op mijn fiets, dook ik onder de N9 door en over het kanaal richting Warmenhuizen. Aan de buitenrand van het dorp ligt op 3 kilometer van mijn huis al een paar jaar een splinternieuw fitnesscentrum. Ik kwam er binnen, maakte kennis, gaf me op en betaalde meteen per pin een jaar vooruit. Huppetee. Als je iets doet, dan moet het ook goed.

Weer terugfietsend realiseerde ik me dat ik niet had gedacht aan mijn ogen die binnenkort van de staar worden afgeholpen. Dom! Want met een beetje pech ben ik van dat zojuist geboekte jaar 2 maanden uit de running en ik had natuurlijk moeten bedingen dat ik ze mocht inhalen. Volgens het reglement is er géén blessuretijd te reclameren, maar vooruit: een maandje zou ze me matsen, de mevrouw die me heeft ingeschreven. En ik haar dus ook. Aardig. Eerlijk ook. Want hoe kon ik dit nou vergeten te melden?

Tot die staaroperatie zorg ik drie keer in de week mijn rondje apparaten af te werken. Vier trainingen later merkte ik dat er in mijn bovenkamer al heel wat endorfine was aangemaakt. De blijdschap nam toe. Na zeven keer voel ik dat ik ronduit weer echt vrolijk ben. Of komt het omdat ik me, sinds ik mezelf dit abonnement cadeau gaf en daarmee iets doorbrak, in een soort opgaande stroom bevindt, waarbinnen diverse dingen opeens op de goede plaats vallen?

Morgen “mag” ik weer, na twee dagen rust. Want we overdrijven het niet. Deze instructeur is bij de les. Lichaam en geest zijn in balans. Net als bij het skiën ben je een uurtje alleen maar bezig met je lijf. Dat lijf dat mij tot nu toe zo geweldig dient. Dat gezond en wel nog steeds pittig functioneert, iets om erg dankbaar voor te zijn en om in stand te houden. Op de fiets ga ik ernaar toe, opgewarmd en wel train ik gedurende 5 kwartier mijn spieren en lenigheid, tussendoor roei ik een eindje en na wat rekken en strekken fiets ik rustig weer terug. Heerlijk. Een aanrader. Niet alleen mijn botmassa zal toenemen – en dat is het doel van de actie J
Haha, grapje van Michiel van Kempen :-)
Ziet er wel sportief uit...

Buiten is het leuker!                                                                                              

Op 8 juni jl. was het Nationale Buitenspeeldag. Wat een feest, die kinderen, die je van verre hoorde joelen. Goed dat er aandacht gegeven wordt aan het buitenspelen. Iets dat, althans voordat het computertijdperk begon, het meest voor de hand liggende was wat kinderen na school deden. Je praatte bij met je moeder en ging naar buiten, waar je altijd wel met iemand mocht meedoen. Verstoppertje spelen, tikkertje, een of ander balspel. Met vriendinnetjes uit de straat, allemaal fervent lezer van spannende verhalen, ging ik meestal op avontuur. De buurt nodigde daartoe uit: huizen die verscholen lagen tussen het groen en waar je nooit iemand zag, een hond die over de haag sprong en met ons meedeed, open plekken waar je kon dollen in het gras, een vervuild zwembad in een verwaarloosde tuin. Spanning, sensatie en de slappe lach. Vogels, de geur van mos en groen. Goh, wat werd onze fantasie geprikkeld, en wat een stimulansen om samen te werken. Elkaar te beschermen, of juist te vertrouwen en bouwen op de kracht van een ander. Er was altijd wel iemand die de leiding nam. Dat accepteerde je, alsof het afgesproken werk was. Viel er iemand een gat in haar knie, dan werden meteen de rollen verdeeld. Eén rende naar een bekende, de ander droogde de tranen, een derde zorgde voor een vrolijke noot en ja, er waren ook kinderen die de aftocht bliezen, want misschien was het ergens anders leuker. Een dingetje om over na te denken. Voor auto’s en fietsers stopte je het spel, de doorgang mocht niet geblokkeerd worden. Maar je holde, klom of sprong tot etenstijd. Behendig prikkeldraad of doornenstruiken omzeilend, of elkaar. Geweldig voor de oog-handcoördinatie, oog-voetcoördinatie en de grove motoriek. Wist u dat de leerresultaten van kinderen daardoor kunnen verbeteren plus de algehele cognitieve ontwikkeling? Daarnaast was het goed voor de conditie. Karakters werden gevormd, je voedde elkaar op, je leerde rekening houden met elkaar en je omgeving en je werd er zo blij van (door de volop aangemaakte endorfinen, weten we nu). Je kon jezelf optrekken aan iemand die het beter deed, of je kon een ander die “haperde” juist helpen, stimuleren en zelfvertrouwen geven. Zo durfde zelfs ik in bomen te klimmen en over sloten te springen. Daar ben ik eeuwig dankbaar voor. Want zo leerde ik dat je met een beetje moed en aangeleerd inzicht veel kunt bereiken. Dingen doen die je nooit deed en ze dan ook nog goed kunnen doen, daar krijg je toch een kik van?

Het kind draag ik al mijn hele leven een warm hart toe. Ook het kind in mezelf, trouwens. Hoogopgeleid in de kinderopvoedkunde werd het zelfs mijn vak. Hoe jammer en ernstig is het dat ze nu bijna niet meer spelen? Dat er zelfs “Buitenspeeldagen” georganiseerd moeten worden, om te proberen dit te veranderen. Op de website van “Jantje Beton”, de grote voorvechter van het buiten spelen, lees ik dat maar liefst 80% van de kinderen onvoldoende beweegt, terwijl – ik citeer: “de kracht van buitenspelen op de sociale, motorische en emotionele ontwikkeling van kinderen en hun leervermogen ongekend is. Eén op de vijf kinderen in Nederland speelt minder vaak vrij buiten dan ze zouden willen en tweeëntwintig procent speelt niet of slechts eenmaal per week vrij buiten. Dat is alarmerend. Buitenspelen is dus niet zo vanzelfsprekend als het moet zijn.” (Einde citaat).

Begrijpelijk is het ook. Je hoort rare verhalen over wat er met kinderen kan gebeuren in onbewaakte ogenblikken, de pesterijen zijn grimmig, het verkeer is druk en men neemt er onoplettend aan deel. Wat betreft dit laatste kun je zélf de verandering zijn. De Yogalessen zijn overvol, maar achter het stuur gaat vaak de knop om en is “haast” het devies. Weg is die kalmte, aandacht en rust. Op Duinweg, Voorweg en Herenweg neem ik elke dag bloedstollende taferelen waar en op de laatste twee is de gemiddelde snelheid vele malen hoger dan is toegestaan, vooral op de rechte stukken. Arme fietsers! Maar gelukkig ligt in het achterland een rustige woonwijk en hebben wij strand en zee. Wel jammer, dat het “Timmerdorp 2016” niet doorgaat. Gebrek aan hulp van ouders. Zij doen zichzelf tekort, vind ik. Als het kind in je mag ontwaken, komt er véél energie vrij. Het houdt je speels en maakt het gemakkelijker je in te leven in de wereld van het kind. Leerzaam. Leuk. En zeer zinvol.  
1956, Giselle speelt in Den Bosch op straat met en in een gevonden vrachtkist.
Met Peter en Jovita.

Blik buiten de grenzen

Een anekdote die mijn moeder graag rondbazuinde, was die over mijn eerste bezoek aan de oogarts. Ik was vijf, heel klein van stuk en had problemen met mijn linkeroog. Werk aan de winkel voor “oom Johan”. Niet dat deze oogarts een broer was van één van mijn ouders. Op Aruba was alles redelijk overzichtelijk en wij, kinderen, hadden véél bonusooms en –tantes die we met grote regelmaat ontmoetten op het strand. Oom Johan, van oorsprong een Nederlander, kan ik nóg uittekenen. Brildragend en mager, een man met gelijkmatige, fijne gezichtstrekken. Na een uiterst precies onderzoek concludeerde hij dat ik behoorlijk bijziend was. “O, mijn God,” schijnt mijn moeder verschrikt uitgeroepen te hebben. “Nu moet ze een bril!” Terwijl ik vol vertrouwen hoog naar hem opkeek en oom Johan zijn hand beschermend op mijn bol legde, antwoordde hij vinnig: “Nou en? Dit kind komt heus wel aan de man, hoor!” Grappig, dat ik onlangs in Amsterdam werd voorgesteld aan een jongere man. Bij het horen van zijn achternaam, riep ik enthousiast dat mijn allereerste oogarts zo heette. Bleek ik oog in oog te staan met diens neef, een échte oomzegger.

Jarenlang was ik de enige van de klas die een bril droeg. Iedereen wilde hem een keertje opzetten. Tevens waren er medescholiertjes die er uit het diepst van hun hart ook één wensten. Kortom: de bril bracht mij zomaar extra aandacht. Al werden de glazen telkens sterker, totdat het fenomeen harde “contactlenzen” zijn intrede deed. Op Wikipedia lees ik, dat Leonardo da Vinci in 1508 al de eerste contactlens ontwierp en dat zijn idee door wetenschapper René Descartes werd uitgewerkt, maar die kwam niet verder dan allerlei berekeningen en omschrijvingen. Ze werden telkens weer van de plank gehaald tot in 1888 de Franse oogarts Kalt een systeem ontwierp met glazen die op het hoornvlies dreven. Vanaf dat moment bleef men bezig met de ontwikkeling ervan, mede door de komst van nieuwe materialen, zoals perspex. Zo werd het dragen van contactlenzen in de VS reeds in de jaren ’50 van de vorige eeuw populair, hoewel de meeste mensen er niet tegen konden… Na 1970 gingen de ontwikkelingen snel en werden die flinterdunne  “glaasjes” draagbaar, zodat in 1975 de eerste zuurstofdoorlatende harde contactlenzen konden worden geproduceerd. Destijds werkte ik nét als lerares handenarbeid vaak met hout of klei en beklaagde ik me soms over mijn eeuwig stoffige brillenglazen bij mijn toenmalige vriendje uit Zweden, een land dat zo’n 20 jaar op ons vóórliep. Hij deed ze me cadeau. Tot op heden ben ik hem daar dankbaar voor, ofschoon mijn leerlingen me véél knapper vonden mét bril en ze hun commentaar niet onder de schoolbanken staken. Dan knipoogde ik in gedachten naar oom Johan, al trouwde ik niet met deze Sven (maar verwerkte ik enige herinneringen aan hem en aan de Zweedse taal wel zo’n dikke drie decennia daarna in mijn roman “De rode appel”).

In de loop van deze lange, mooie tijd ging mijn zicht, vooral aan dat ene linkeroog, stiekem verder achteruit. Vermoeiend, om niet alles meer scherp te kunnen zien en lichtgevoelig te zijn. Vervelend ook, dat je mensen soms echt niet herkent, totdat ze zowat naast je lopen – tja, dichtbij zie ik zonder hulpstukken alles nog haarscherp. Oogartsbezoek was onvermijdelijk, de diagnose onverbiddelijk en die harde lenzen moest ik aan de wilgen hangen… Staar. Maar wat een wonder, dat inmiddels de ontwikkelingen dusdanig zijn, dat een lensje op sterkte “ingebouwd” kan worden. En dat wij wonen in een land waar dit voor iedereen haalbaar is! Want al zappend zoog de tv mij bij toeval gisteren het arme Moldavië binnen via “Max maakt mogelijk” NL33INGB0000004567. Daar  hebben veel oude mensen cataract in een dusdanig vergevorderd stadium, dat ze volkomen blind zijn. Verschrikkelijk tragisch dat ze een staaroperatie van € 240,00 niet kunnen opbrengen. Bij ons kost het een veelvoud daarvan, maar het wordt (deels) vergoed. Reden temeer voor mij om straks, als ik weer verziend ben, in Moldavië óók iemand te helpen en misschien doet u met me mee?

Voor nu functioneert mijn reservebril redelijk. En gelukkig ben ik aan de man, nota bene een naamgenoot van mijn eerste oogarts, oom Johan. Ach, what’s in a name? (citaat uit: “Romeo and Juliet”, by William Shakespeare). Ook met staar blik ik graag buiten de grenzen.
 
Giselle in 1959 met mijn eerste bril
 

donderdag 23 juni 2016


Vriendinnen

Vandaag word ik blij wakker, al hoor ik het buiten letterlijk plenzen van de regen. Het enige voordeel ervan is, dat het goed is voor de tuin en de natuur en dat je voorlopig niet hoeft te sproeien. Er liggen zelfs plassen op de aarde.

Blij ben ik met het prachtige weer van gisteren. Onder de zon reed ik naar Heemstede, waar ik een afspraak had met de oudste en enige nog levende vriendin van mijn moeder, met wie ze de box al deelde. Ik noem haar tante. Ze is altijd lief voor mij en hartelijk. Eigenlijk dacht ik dat ik haar voor haar 93e verjaardag als cadeautje mee uit lunchen zou nemen, maar ze heeft koffie met taart, lunchen doen we later. Zij trakteert “want we hebben daar helemaal niets over afgesproken, hoor!”

Ze ziet er onberispelijk uit in een vlot kraagloos, wijdvallend anno-nu-bloesje en witte lange broek en heeft vlak voor het weggaan nog even haar witte sandalen aangedaan. Op de achterbank ligt haar rollator. Op haar feilloze aanwijzingen (tot voor kort reed ze zelf nog auto) rijd ik ons even later naar “De Wachtkamer” in Vogelenzang, een beeldschoon voormalig stationnetje. Ze heeft me tevoren gewaarschuwd dat er af en toe een trein langsraast, maar “je kunt er heel gezellig buiten zitten en ach, voor je er erg in hebt, is-ie alweer voorbij.” En zo is het. Na de tweede keer hóór ik het niet eens meer. We zijn verdiept in onze gesprekken. Ze stelt gerichte vragen, luistert aandachtig naar mijn antwoorden, slingert er af en toe een grappige opmerking tussendoor zodra dat past en leeft vooral met me mee en ik met haar. “Wat leuk om zo met jou te kunnen praten,” lacht ze opeens. “Daar houd ik van, vooral tijdens de maaltijd.”

Ze leeft mee met haar grote gezin met veel aanhang en is al 16 jaar weduwe, heeft veel hobby’s, deed al lang geleden aan yoga, volgde onlangs nog schrijf-, schilder- en quiltlessen, heeft véél aanloop, geniet van het leven en zette de schouders onder verdriet en tegenslag. Ze leest veel en raadt me het boek aan van een gezondheidsgoeroe – stress vermijden, bewegen moet, plus een gezonde voeding – vertelt enthousiast dat ze enorm geniet van de laatste roman van Thomas Verbogt: “Geweldig, hij gaat zo de diepte in, daar houd ik van, want dan gáát het tenminste ergens over!” En onze gedachten dwalen ook af naar mijn moeder en diens ouders.

Het is eeuwig jammer dat mijn moeder te vroeg dement werd. Ze werd in 1984 weduwe, verhuisde op aanraden van mijn zus en tegen al onze beargumenteerde bezwaren in naar een 4 boerderijen tellend gehucht in Friesland in the middle of nowhere, ver van haar ouder wordende vrienden en kennissen uit Naarden-Bussum en omgeving, die ze vervolgens verschrikkelijk ging missen. Het was er koud en vochtig. Tja. Oudere bomen moet je nooit verplaatsen. Na een jaar of 6 verlangde ze naar meer reuring en zo kwam ze terecht in een van de nieuwste wijken van Amersfoort. Dichterbij haar geliefden. Ze was er gelukkig, maar ondanks al haar inzet sloeg ze niet echt meer aan, kwam niet meer tot bloei, zullen we maar zeggen, de voornoemde metafoor indachtig. Het leek alsof het altijd herfst was, al ging ze de stad in, kreeg ze nieuwe kennissen en zocht ze iedereen op met de trein. Zó ervaar ik haar nog vaak, die blijdschap om een weerzien, als ik moet wachten voor een langs denderende trein achter een gesloten spoorwegovergang. Dan denk ik aan Dordrecht, hoe ik haar ging ophalen, als ze bij me kwam logeren. Maar ze was zichzelf niet meer – dementie gooit álles in de war.

Haar vriendin roept lachend uit dat ze ervan geniet “dat ik zo smakelijk eten kan, wat léúk om naar te kijken!” Met haar deel ik de dingen, die ik mijn moeder had willen vertellen en ik vind de hartelijke aandacht en de erkenning van deze bonus-tante een feestje onder de zon.

Een trein raast langs. Deze heeft mijn moeder helaas gemist. Maar eigenlijk denk ik, dat ze nu gewoon even alle seinen op groen heeft gezet. De Wachtkamer, wat een symboliek.  
Dankbaar ben ik voor deze dag. Zóveel zon en vriendschap. Dat achtergebleven gouden randje rond de wolken van vandaag. Blij weer wakker.

zondag 24 april 2016


De bloemetjes buiten zetten

Op 8 maart jongstleden, De Internationale Dag van de Vrouw, toog ik naar Amsterdam. Het was lang geleden dat ik daar een nacht zou verblijven. En dat ik mijn vriendin Miriam terug zou zien. Een vriendin die ik leerde kennen in Aix en Provence, inmiddels zo’n 22 jaar geleden. Destijds was ik lid van een serviceclub voor vrouwen, de Ladies’ Circle genaamd. Net als Rotary, Lions en Round Table stond “vriendschap” hoog in het vaandel en natuurlijk het verlenen van service. In de regel was dat het steunen van goede doelen. Hetzij financieel, hetzij daadwerkelijk.

De leukste vriendschappen hield ik eraan over. Zoals ook die met de Nederlandse Miriam, destijds bezig een Ladies’ Circle op te richten in Le Puy, midden Frankrijk. Ja, de “linzenstad”. Zij woonde daar al erg lang als echtgenote van haar jeugdliefde. Een Fransman. Zij hebben drie inmiddels volwassen kinderen. En in 1995 bezochten wij beiden de installatie van Ladies’ Circle Aix en Provence. Men had “die Nederlandse” naast mij gezet of omgekeerd: naast haar. Onmiddellijk was er een klik, we lachten de hele avond en bleven dat tot nu toe doen. Voor vriendschap, echte vriendschap, is afstand geen barrière.

Welnu: op die 8e maart had ik met Miriam in Amsterdam afgesproken. Zij is inmiddels bloemist geworden en samen met een aantal andere Franse fleuristes kwam zij in Nederland inkopen doen. De avond zou ik dus niet alleen met haar, maar ook met vier mij onbekende bloemenmannen doorbrengen en nog één bloemenvrouw, Edith. Aan mij de eer een restaurant te kiezen en dat werd een gok. Restaurant Harmsen. Later bekeek ik de website eens goed. Laat het nu toevallig vroeger een bloemenzaak geweest zijn?

Bij een tweede gesprek met een medewerker maakte ik er melding van dat ik zou komen met een tafel vol bloemenmensen. Aanleiding om ons dan maar in de etalage te zetten aan een gezellige grote dis. Dat werd natuurlijk volop gefotografeerd.

Ongelooflijk maar waar: vanaf de eerste minuut hadden we plezier. Het werd de vrolijkste avond die ik in tijden beleefd had. Mijn Frans haperde hier en daar, waardoor ik echt niet alle grappen begreep, maar vanuit je tenen te kunnen lachen met mensen die je amper een paar uur kent, terwijl zij een andere taal gebruiken dan de jouwe, is fenomenaal leuk. Daarnaast gingen de gesprekken ook nog ergens over en werd er met mate gedronken, want de hele club moest de volgende ochtend vroeg opstaan om in Aalsmeer nogmaals op inkooptour te gaan.

Ze brachten me tot aan de deur van mijn hotel, ik werd omhelsd alsof ik niet één, maar zes goede vrienden gedag zei. Dat noem ik nou eens: “de bloemetjes buiten zetten”.  Voor herhaling vatbaar.


Fileleed en bumperkleven                                                                         

Werk bracht mij in februari op ’s Neerlands snelwegen en dreven. Om precies half 10 en om 14.00 uur werd ik op locatie verwacht in diverse steden en dorpen. Aangezien ik aan files een bloedhekel heb en daarin niet een uitzondering zal zijn, besloot ik in diverse hotels te verblijven. Relaxed wakker worden, uitgebreid douchen, ontbijten en binnen hooguit een kwartier aankomen op het gewenste adres. Tussen de middag een korte rit naar de volgende. Om uitgerust de gesprekken te voeren met mensen die tijdens hun militaire diensttijd uitgezonden waren naar oorlogsgebieden en die daar een Posttraumatische Stressstoornis hebben opgelopen. Let op: stoornis, níet, zoals vaak wordt gezegd, een syndroom (i.e. een verzameling van ziektesymptomen), maar dit terzijde. Ik noem het, omdat het in feite een (oorlogs)verwonding is. Door gedurende korte of langere tijd onder extreem hoge druk gestaan te hebben of in machteloze doodsangst verkeerd te hebben, blijven ze ernstige klachten houden. Ze worden zwetend wakker, hebben nachtmerries, herbelevingen. Bij een nieuwe voor hen onveilig aanvoelende situatie krijgen ze hartkloppingen, transpireren ze, worden ze agressief. Ze zijn constant op hun hoede, bang of boos, ontredderd. Geluiden of geuren die horen bij die traumatische gebeurtenis kunnen ook onmiddellijk heftige reacties oproepen. Een uiterst vermoeiende situatie voor de patiënt zelf en voor zijn gezin. Een gesprek met hen aangaan verdient opperste concentratie en is dus naar mijn mening niet te verenigen met een lange vermoeiende filerit vooraf.

Het is me in deze periode opgevallen, dat diverse wegen eigenlijk altijd druk zijn. Dat er heel vaak erg hard gereden en slecht, onaandachtig ingehaald wordt. Het meest onvoorstelbare vind ik, dat mensen bumperkleven en daarmee risico’s lopen voor zichzelf, voor hun eventuele passagiers en zeker ook voor hun medeweggebruikers. Vooral bij regen, wanneer je remweg langer is. Het lijkt mij begrijpelijk dat je afstand houdt en dat je voorganger soms gewoonweg niet harder kán rijden, omdat hij domweg niet dwars door zijn voorganger heen kan denderen. Hij dient zich dus aan te passen aan de rest of je dat nu leuk vindt of niet. Maar nee, dan zit er – op de rechter filestrook – weer zo’n kek wijffie in haar koekblik met haar neus op het stuur vrijwel bovenop jouw bumper te drammen dat je gas moet geven. ‘Schat de situatie eens in,’ zou ik dan willen zeggen,’houd het overzicht!’ Is er vóór jouw voorganger géén ruimte, dan heb je je over te geven aan de flow of kun je misschien beter inhalen. Hoewel je vervolgens een stuk verderop naast elkaar bij een stoplicht staat.

Mijn hotelovernachtingen hebben hun geld dus opgebracht. De A9 kende dramatisch lange files die ik nippend aan een cappuccinootje bij het ontbijt of aan een proseccootje bij mijn avondsalade ontspannen heb mogen omzeilen. Het lijkt me verschrikkelijk tweemaal daags een half uur stil te moeten staan.

Gisteren had ik bij Arnhem mijn laatste gesprek, waar ik alle tijd voor nam. Later besloot mijn TomTom een snellere route voor me te kiezen in verband met de lange avondspits en een file bij Nieuwegein. In het duister gaf ik me over aan het ding. Zo nam ik vanachter beruitenwisserd glas plaatsen (of contouren daarvan) waar, die ik tot nu toe links had laten liggen. Bunnik. Grote delen van Utrecht. Oud Zuilen. Om vervolgens eindelijk weer terecht te komen op de A2. Wat een zegen vrijwel altijd thuis te kunnen werken!

PTSS’ers heb ik veel beter dan ooit begrepen. ZZP’ers ook. Zonder met ze in gesprek te gaan. Al was het juist wél met elkaar in gesprek gaan een onvergetelijk mooie, intense en vaak ontroerende ervaring. Hulde aan deze veteranen die allemaal de liefde en toewijding van hun gezin tot in het diepst van hun ziel mochten voelen. Fileleed is daar niets bij. De wereld kent ongekend sterke mensen die weten wat onvoorwaardelijk houden van is in goede en slechte tijden. Zij zijn deels de TomTom van de PTSS’er, die zich aan hen durft over te geven en die hen soms omleidt bij obstakels. Voor deze gezinnen neem ik mijn pet diep, érg diep af. 
 
             

Pleister op de wond                                                                        

Vrijdagochtend. Normaal gesproken schrijf ik dan mijn column voor Het Bergens Nieuwsblad. Maar mijn hoofd staat er niet naar. Zaterdag ga ik naar een begrafenis van iemand die me heel dierbaar was en die in vroegere jaren zeer belangrijk geweest is in het leven van mijn in 2004 overleden moeder. Ik wil zelf voor hem een bloemstuk maken, er zijn nog wat andere verplichtingen en de afspraak bij mijn kapster wil ik niet alwéér afzeggen.

Terwijl zij mijn haren wast, stel ik me voor dat ze ook mijn gedachten uitspoelt. Die zijn overal en nergens. Daarom lukt het zeker niet. Ze manoeuvreren zich, wars van shampoo en conditioner, gewoon overal tussendoor. Ze zijn even bij die bloemen – wit met blauwpaars, vind ik. Bij de rit richting Breda – bijtijds weg! Bij andere vriendinnen die in een moeilijke fase van hun leven verkeren of die juist net een kerngezond kleinkind kregen. Als de dag van gisteren herinner ik me, hoe ze hun eigen baby voor het eerst aan mij toonden. De jaren, hoe bewust doorleefd dan ook, razen voort. 

Zo is het plotseling dan toch zaterdag geworden en ben ik onderweg naar die begrafenis. Mijn TomTom vertelt mij exact hoe ik rijden moet. Ondertussen kijk ik naar de weg, naar het verkeer dat op dit tijdstip betrekkelijk kalm aan mij voorbij glijdt, zodat er ruimte is voor mijmeringen. Mijn auto voert me langs plaatsnamen waar veel herinneringen liggen, omdat ik op diverse plekken in ons land heb gewoond. Regelmatig doe ik ze aan, vanwege allerlei vriendschappen. De waarde daarvan bracht mijn moeder mij al vroeg bij. Hoe je ze ondanks de afstand onderhoudt, zodat ze een levenlang meegaan. Met aandacht. Aandacht voor elkaar, voor de gebeurtenissen die over en weer plaatsvinden. Met liefde, steeds méér liefde. Want van lieverlee wordt vriendschap verwantschap. Je hebt elkaars vader en moeder gekend, die zo nodig een pleister plakten op de knie die je in hun tuin stukviel. Met een kusje toe. Troostrijk. Sommigen zagen me als een bonuskind. Nauwelijks lasten, want na verloop van tijd ging ze weer naar huis, u kent dat misschien. Zelf vind ik het dierbaar wanneer wij in elkaar soms onverwacht iets terugzien van onze ouders. Zelfs al zijn het trekjes, waar je vroeger samen hard om moest lachen, terwijl je uitriep: “Zo word ik nooit, hoor!” Grappig, hoe de geschiedenis zich verpletterend kan herhalen. 

Terwijl ik achtereenvolgens de Lek, de Bovenmerwede en de Bergsche Maas overbrug – het lijkt een wereldreis – zijn er veel vriendinnen en gebeurtenissen mijn revue gepasseerd. Veel landschappen ook, waarvan ik de schoonheid heb mogen ondervinden. Dat goudgeel van het bloeiende koolzaad in Zuid-Holland, de vrolijk dartelende lammeren in het sappige voorjaarsgras van vele weilanden, de uiterwaarden. Zwemmen met mijn drie labradors bij het stille strandje van de rivier tussen Sleeuwijk en Werkendam. Het onnoemelijke schouwspel van de ondergaande zon, weerspiegeld in dat gestaag voort stromende water. Het knotten van wilgen in eindeloos berijpte landerijen. Zoveel rijkdom in alleen maar één – naar ik hoop nog heel lang onvolbracht – mensenleven.

En dan: een laatste stoplicht, een saaie woonwijk, de prachtige kerk waar ik moet zijn in het hier en nu. Hoe dierbaar is het dat je het vertrouwen wint van de vrienden van je ouders, zodat ze je onvoorwaardelijk omarmen. Dat je die vriendschappen zomaar mag overnemen en cadeau krijgt, opdat je postuum leert losse verbanden te begrijpen.

Tot ten slotte ook van deze vriend het laatste uur geslagen heeft en je in de stoet meeloopt naar zijn graf. In zijn hart rusten onbetwist duizenden herinneringen, een schatkist vol. Daartussen glinstert wat van degene uit wie ik voortkwam. Hoe wonderlijk dat iets van mij zich daar tegenaan mag schurken. Dat maakt de dood opeens een beetje minder pijnlijk. Hoe nabij kun je elkaar zijn? Door er zo naar te kijken is dit misschien een verse pleister op de wond? Wellicht ook voor u... Van harte wens ik iedereen, die het nodig heeft, troost toe.
 
 

vrijdag 29 januari 2016


Brave hond                                                                                                             

Het jaar is nog maar net begonnen of we zijn alweer opgeschrikt door heel wat geweld. Laat ik het dichtbij huis houden. Zo werd ik gewaarschuwd door een vriendin mijn hond nooit alleen voor een winkel te laten zitten. Dat doe ik sowieso al zelden en alleen als ik door het winkelraam kan zien of het goed gaat met mijn viervoeter. Nooit bij een supermarkt. Er blijven niet veel winkels over waar het wel kan. Wanneer zij niet mee naar binnen mag, sla ik desbetreffende zaak over. De veiligheid van mijn hond gaat mij vóór alles. Ze zou kunnen schrikken, haar riem doorbijten en de straat oversteken. Er kan een agressieve hond op haar afspringen, of een onverlaat kan haar bij wijze van grap loslaten. Dat er zelfs in het zoete Bergen iemand was die zo’n vastzittende hond dusdanig heeft toegetakeld, dat het dier moest sterven, dát had ik in mijn stoutste dromen niet eens durven vermoeden. Hoe overleef je dat als baas? Oprecht gemeend wens ik hem sterkte.

Het bevestigde mijn gevoelens, waar niet iedereen in meegaat. Overdreven, wat kan er nu gebeuren, onzin, overbezorgd. Alles heb ik langs horen komen. Maar laten we wel zijn: er lopen soms wonderlijke lieden rond. Zo laat ik zelfs mijn hond zelden in mijn auto achter en áls ik dat doe, uitsluitend kort. Zo’n geopend raamkiertje kan nl. de fantasie van zieke geesten op een rare manier prikkelen, daar geef ik geen voorbeelden van. Mezelf zou ik het nooit vergeven, wanneer mijn hond daarvan – en van mijn gemakzucht – de dupe zou worden.

 Ja, het kan zijn dat je daardoor eerst je huisdier moet uitlaten en daarna op de fiets moet stappen voor de boodschappen. En ja, daar wordt je leven iets gecompliceerder van. Hoewel: enige hinder heb ik er nooit echt van ondervonden. Elk nadeel heeft zijn voordeel. Wat extra lichaamsbeweging, meer buitenlucht en daarmee toch even een gevoel van vrijheid, met de wind door je haren en een frisse neus. Met zomaar wat meer energie om je werk voort te zetten, of een gratis inspiratiemoment. Je kunt kiezen anders te kijken naar bezigheden.

Alles en iedereen die aan jouw verantwoordelijkheid is overgeleverd, verdient zorg, aandacht en liefde. Voor mij gaat dat misschien verder dan voor een ander. Zo vind ik het onbegrijpelijk dat mensen hard langs een drukke weg fietsen met hun huisdier daar achteraan. Los of aan de riem. Een hond blijft een wolfje. Hij kan opeens afgeleid zijn, iets anders doen dan jij verwacht en oversteken. Daarnaast vind ik het vreselijk om te zien, hoe zo’n dier soms poepend en wel aan zijn riem wordt meegesleurd door een snel fietsende baas. En heb je er ooit bij stilgestaan, dat bij ’s zomerse hitte het wegdek bloedheet aan zijn zooltjes kan zijn? Dat elke hond überhaupt wel wat eelt onder de voeten moet hebben en wat spieren rondom de botten om dit zonder pardon te kunnen? Dat hij dus sowieso al heel wat kilometers achter de hielen moet hebben, voordat hij zoiets kán? Ooit heb ik een stel geconfronteerd met de bloedende voeten van hun puppy (!) die zo mee op dagtocht was geweest. Niet alleen die eeltkussentjes bloedden, mijn hart deed dat ook. Het uitlaten van je trouwste vriend wordt er voor hem niet leuker op als hij niet kan scharrelen en snuffelen, vind ik. Hij moet even languit kunnen liggen in het gras, moet kennismaken met andere honden, ermee spelen of ze bewust links laten liggen, zolang het maar zijn keuze is, in vrijheid. Dát verdient hij, na wellicht uren alleen geweest te zijn, omdat er nu eenmaal ook gewerkt moet worden. Dierenartsen stimuleren dat fietsen en waaien mijn bezwaren weg, waarschijnlijk in het kader van de noodzakelijke lichaamsbeweging – beter iets dan niets, mee eens – maar toch. Ik blijf erbij. Een hond vraagt tijd en inzet. Dan is het ook het meest dankbare, het grootste geluk. De onbaatzuchtige vriendschap en trouw die je jarenlang retour krijgt. Tot je op een kwade dag de grootste daad van liefde moet laten uitvoeren, als hij opgewandeld en uitgespeeld is, oud en af. Dat moeilijke moment van loslaten, waar velen vaak te lang mee wachten, zodat leven lijden wordt. Dát moet je voor zijn. Dan beleef je die ongelooflijke overgave die er zijn kan tussen baas en dier, kan hij zich voor eeuwig in rust ingraven in jouw hart, kwispelend door je dromen heen wandelen. Zoals nu de hond van een dierbare vriendin doet met wie ik de afgelopen jaren mocht oplopen. Altijd braaf – en gelukkig nooit geconfronteerd met geweld.

Molly in haar toptijd - wat een brave waakse hond!
Voor altijd in mijn hart...

dinsdag 26 januari 2016


Je kunt toch wel dansen, al dans je niet met de prins     

Deze uitdrukking gebruikte mijn moeder graag, misschien omdat ze zelf was opgegroeid in de wereld van dans en ballet en er zo van hield. Elke keer, wanneer ik iets grensverleggends wilde doen, legde ze hem voor mijn voeten: Je kunt toch wel dansen… Eroverheen springend danste ik, al mocht ik, vreemd genoeg, nooit op ballet. Die wereld werd me alleen gegund toen zij en mijn vader me bij mijn geboorte de naam Giselle gaven, hun meest geliefde ballet. Ook namen ze me al op jonge leeftijd mee om het te zien. Maar daar bleef het bij. Dat heeft me niet gefrustreerd.

Het was en blijft bijzonder naar dit sprookje vernoemd te zijn. Met gevoel voor drama en romantiek wérd ik in de loop der tijd meer en meer “Giselle”. En net als bij het boerenmeisje uit dit ballet van Petipa verliep het in de liefde voor mij ook niet altijd naar wens. Lelijk was ik niet. Maar misschien juist daarom waren het niet altijd de oprechtste mannen die mij probeerden te veroveren. Dat heeft me gevormd, mensenkennis gebracht en veel stof tot schrijven, zegt het positieve in me. Een enkele keer echter gebiedt mijn gevoel voor rechtvaardigheid me, dat het me ook tot wanhoop had kunnen brengen. Dan was het me wellicht vergaan als de Giselle uit het gelijknamige ballet, die erachter komt dat de prins haar het hof maakte, terwijl hij uit hoofde van zijn achtergrond haar nooit had kunnen huwen.

Naamgeving is meer dan uitsluitend een formaliteit. Daar ben ik van overtuigd. Een naam vult iets in dat verder gaat. Zo noemde ik eens een schattige labradorpup Banjer. Hij groeide voorspoedig op, maar schuinsmarcheerde de boel bij elkaar, verwekte heel wat puppies en deed alles wat verboden was, bleek me echter ook om de pink van één poot te kunnen winden. Wat een humor en charme, wat een Banjer!

En zo kan ik niet anders doen dan met een tikje weemoed erkennen dat ik zelf in de loop der jaren heel erg een Giselle was en bleef. Dat werd enige jaren geleden toch maar mooi bevestigd toen ik na een interview met ballerina Daniela Cardim voor het Vriendenmagazine van Het Nationale Ballet met haar wachtte bij de lift ergens onder in het gebouw van het Muziektheater. Danser Jozef Varga, die ik een jaar tevoren gezien had als de prachtige en innemende prins in het ballet Giselle, schreed de hoek om en voegde zich bij ons. Het klinkt gek, maar het had iets magisch. Want is het geen waarachtig toeval, dat van alle leden van dit balletgezelschap juist hij op dat moment verscheen? We groetten elkaar.

Je weet niet, wat ik weet, prins Albrecht, dacht ik, terwijl ik nog eens heimelijk naar hem opkeek. Je staat naast Giselle! De lift tilde ons naar de eerste etage. Een korte rit. Als ik iets wilde zeggen, dan moest het nu!

‘Ik heb je natuurlijk herkend, Jozef, als de prins uit Giselle,’ zei ik in het Engels tegen hem. ‘Graag zou ik me aan je voorstellen.’ Even wachtte ik. Hij keek me verrast en licht vragend aan toen we elkaar de hand schudden. ‘Want weet je, ik ben Giselle – de échte Giselle,’ veranderde ik mijn intonatie en gezichtsuitdrukking veelbetekenend. Jozef kleurde licht, lachte en boog even galant zijn hoofd.
 
‘Don’t fall in love,’ zei hij. ‘You’re too sweet to die young!’ We stopten, hij knikte hoffelijk. De liftdeuren schoven haast geruisloos open. En achter mij weer dicht. Mijn moeders geliefde uitdrukking sprong in mijn gedachten op als een duveltje uit zijn doosje. Maar met evenveel gemak walste ik er in mijn voordeel overheen. Ik kon dan misschien niet met hem dansen, maar dit was toch mooi wel de prins! En ik had met hem gesproken en even meegelift…


Herinneringen
De week van de poëzie met als thema "Herinneringen" is begonnen. Laat ik nu aan het ziekbed van mijn demente moeder een hele dichtbundel geschreven hebben vol herinneringen, met de dwingende titel: "terug die tijd" (ik wil hem overleven).
Herinneringen aan het eiland waar we woonden - Aruba - en waar ik geboren ben. Aan het Noord-Hollandse dorp Bergen waar we gingen wonen in 1960. Aan een gedeeld verleden. Aan de mensen die belangrijk waren en die er nu al jaren niet meer zijn: "portretten op de plank", zoals mijn vader, een tante, mijn oma Athmer. Aan een jaar, dat zomaar opeens weer voorbij kan zijn, zonder een wezenlijk gesprek gehad te hebben met dierbare vrienden.
Eigenlijk barst ik van de herinneringen. Vandaag klikte ik min of meer per ongeluk het "In Memoriam" aan, dat ik schreef en voorlas bij de crematie van mijn moeder op 29 september 2004. Mijn poëziebundel was toen nog niet eens in de maak en op die dag openbaarde ik er twee gedichten uit. In het kader van de Week van de poëzie, van alle herinneringen van iedereen en van die aan mijn moeder in het bijzonder, dit gedicht: "Nacht mama".
Omdat het regent en alweer zo donker wordt. Omdat ik Wil J Schipper​ en Sonja Schipper​ voor eeuwig dankbaar ben voor het grafisch ontwerpen en het maken van die eerste uitgave van deze dichtbundel - een dankbare herinnering op zich, omdat we hem gezamenlijk in elkaar draaiden met van die mooie, koperen schroeven. Omdat ik inmiddels al ruim 11 jaar geen "dochter" meer ben. En omdat ik onmetelijk geboft heb met deze moeder, al was het niet altijd gemakkelijk. Dit gedicht schreef ik toen ik haar eens 's avonds bezocht en zij met de medebewoners van het verpleeghuis in haar ochtendjas bij de televisie zat. De woorden ontstonden als vanzelf, in de auto, op weg naar huis.

Nacht mama,
denk je nog
en denk je dan aan mij,
vlak voor de dag wordt
teruggehaald,
het donker daalt,
de rust?
voor alles - uitgeblust -
nog een keer langskomt,
verward, in flarden;
misschien ken je mij
en kun je me dan zien?
Een laatste keer
zoals ik was en blijf
en ben: jouw kind.
Nacht mama,
droom je nog e
n droom je dan van mij?
 
Uit: "terug die tijd", 2005, Conserve / Uitgeverij In de Knipscheer​.
 
 
Mijn moeder met mij in het kraambed, met kraamvisite, Aruba 02-09-1953
 

donderdag 14 januari 2016


Het duo Kraayenhof en Dobal presenteert 5 sterrenhotel Victoria

Zij kennen elkaar al sinds zijn komst naar Nederland in 1989, toen hij zat in het toenmalige kwartet, waarin ook Carel Kraayenhof speelde. Argentijn Juan Pablo Dobal en Carel Kraayenhof hebben nu als duo naar aanleiding van een nieuw theaterprogramma een cd uitgebracht. Dat kan bijna niet onopgemerkt aan ons voorbijgaan. Hoe mooi is het, bij vrijwel elke klank te voelen dat zij met elkaar communiceren via de muziek, elkaar aanvullen en op elkaar ingespeeld zijn.

Slechts vier maanden na de presentatie in TivoliVredenburg te Utrecht van het live album “In concert” van Carel Kraayenhof en harpiste Lavinia Meijer, hebben bandoneonist  Kraayenhof en pianist / componist Dobal dit theaterprogramma gerealiseerd: “Hotel Victoria”. De titel alleen al spreekt althans mij meteen tot de verbeelding. Want wie herinnert zich niet het legendarische “Hotel California” van the Eagles uit 1976 – u weet wel: such a lovely place, such a lovely face… you can check out any time you like, but you can never leave.

Ook Hotel Victoria is een ode aan een bestaand hotel en de titel van een tango uit 1906, gecomponeerd door pianist Feliciano Latasa. Het fameuze Gran Hotel Victoria te Buenos Aires was jarenlang voor veel musici en artiesten een ontmoetingsplaats. In die jaren zochten zij hun fortuin in deze metropool, omdat juist daar de tango een rage leek te worden. De geschiedenis heeft geleerd dat inmiddels de tango de wereld daadwerkelijk veroverd heeft.

Het Duo Kraayenhof en Dobal  brengt dit titelnummer min of meer als een ode aan elk hotel, want voor de reizende muzikant is een hotel na een concert een rustplaats, een baken in zee, maar ook een ontmoetingsplaats met andere musici. De bar nodigt dan uit de bandoneón toch weer uit de koffer te halen of de oude piano die daar in een hoek staat open te klappen. Om de volgende ochtend wakker te worden in een omgeving die je niet echt meer herkent. “Het muzikantenleven is er een van een “loco lindo”. “Hotel Victoria”, gearrangeerd door pianist Horacio Salgan voor zijn duo met gitarist Ubaldo de Lío, krijgt nu “een ander jasje aan” door de klanken van de bandoneón.

Achter elk nummer, schuilt een mooi verhaal, ook achter de nummers die Carel en Juan Pablo Dobal zelf schreven. Om in de hotelsfeer te blijven is het feestelijke “Enny” opgedragen aan Kraayenhofs moeder ter gelegenheid van haar 80e verjaardag, bij wie hij na optredens in het zuiden van het land met plezier verblijft in “het beste B&B van het zuiden”.

Maar ook uit veel van de andere muziekstukken spreekt een warme menslievendheid, oog voor de wantoestanden in de wereld die er nog altijd zijn, betrokkenheid. Zo ontstond “Frieda’s milonga” na een bijzondere ontmoeting met Frieda Menco (90),  die Carel vertelde hoe ze in de Tweede Wereldoorlog Auschwitz overleefde en hoe ze haar lange leven gewijd heeft aan de wereldvrede, door met veel jonge mensen overal in de wereld in gesprek te gaan over discriminatie. “Charlotte” is opgedragen aan een schoonzus die zich in Groningen inzet voor rolstoelvriendelijke woningen in het centrum van de stad en Juan Pablo bezingt in Sudamérica” het continent waar hij geboren werd en opgroeide, een werelddeel met grote rijkdommen, gevangen tussen twee oceanen; prooi van grote kolonisten Spanje en Portugal, waaronder twee volkeren moesten lijden, de Indianen en Afrikanen.

Mocht u in Nederland zijn, check dan een avondje in bij dit bijzondere Hotel. Op 6 februari zal de officiële cd-presentatie plaatsvinden tijdens het middagconcert in de Noorderkerk te Amsterdam. Kaarten zijn te koop via: www.noorderkerkconcerten.nl. Via de website kunt u de agenda bekijken en meer informatie over de cd lezen. Maar weet: you can never leave…!

 
Photography & graphic design: Rob Becker Beeldverhaal